Nieuws en Mededelingen

 

Bijeenkomst Literatuur en ‘wij’

Zaterdag 24 mei 2014

Klein Auditorium, Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden

Aanvang: 14.00 uur

 

Op zaterdag 24 mei 2014 organiseert de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een bijeenkomst die als titel draagt:

Literatuur en ‘wij’

Sprekers zijn:

Kevin Absillis - Dirk van Bastelaere - Thierry Baudet - Mano Bouzamour

Speelt literatuur nog een rol bij de vorming van een wij-gevoel? En is het eigenlijk nog wel aan de literatuur om die rol te spelen? Betreft het dan een morele plicht van de individuele schrijver? Of moeten we een en ander beschouwen als een laatste kans voor de literatuur om iets meer te zijn dan slechts koopwaar?

Door de tijden heen is het literaire medium altijd bijzonder bruikbaar gebleken om gemeenschappen te verbeelden en collectieve identiteiten te definiëren: de stadstaat Athene, de wereld van de oude Grieken en de wereld van de Romeinen, het christelijke westen, koninkrijken, natiestaten, sub-nationale, regionale en lokale gemeenschappen, Europa,... een wereldomvattende republiek van verlichte burgers.

Maar hoe zit dat vandaag, in onze multimediale cultuur en in tijden van globalisering?

Helpt literatuur bijvoorbeeld de moderne natiestaat ten grave te dragen om zo de weg vrij te maken voor supranationale politieke entiteiten? Of is literatuur juist een medium dat weerstand biedt - of kan bieden dan wel moet bieden -- tegen Europeanisering en globalisering?

 

Is literatuur eigenlijk nog wel krachtig genoeg om gemeenschappen te verbeelden?

Delft literatuur niet bij voorbaat het onderspit tegen film en televisie, en tegen het digitale informatieoffensief? Zorgen die media niet voor een onstuitbare versplintering van collectieve identiteiten? En wat mogen we anderzijds van het literaire medium verwachten als het erom gaat collectieve identiteiten vooral niet te statisch, homogeen en exclusief te definiëren?

Kan literatuur ons helpen om globaal te denken, lokaal te handelen en open te blijven staan voor wat niet strookt met intussen verworven identiteiten?

Over deze en nog tal van andere kwesties debatteren onder leiding van Aleid Truijens vier schrijvers met een uitgesproken mening over deze brandende literaire kwestie:

Kevin Absillis, auteur van o.a. Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970) en medesamensteller van de opstellenbundels De manke usurpator: over Verkavelingsvlaams en De plicht van de dichter: Hugo Claus en de politiek

Dirk van Bastelaere, auteur van o.a. Wwwhhooosshhh: over poëzie en haar wereldse inbedding en medesamensteller van de bloemlezing Hotel New Flandres

Thierry Baudet, auteur van o.a. De aanval op de natiestaat en Oikofobie: de angst voor het eigene en medesamensteller van de opstellenbundels Conservatieve vooruitgang en Revolutionair verval

Mano Bouzamour, auteur van De belofte van Pisa

 

Einde circa 16.00 uur. Aansluitend is er een receptie in het Academiegebouw.

TOEGANG: GRATIS

Het Academiegebouw is in ca. 15 minuten te voet te bereiken vanaf het Centraal Station Leiden (route: Stationsweg, Steenstraat, Prinsessekade, Kort Rapenburg, Rapenburg). In de onmiddellijke omgeving van het Academiegebouw is de parkeergelegenheid beperkt. Aangeraden wordt gebruik te maken van een van de parkeergarages of -terreinen die de gemeente bij de toegangswegen tot de stad heeft aangegeven. Parkeren in garages is in Leiden goedkoper dan parkeren op straat. Op het populaire parkeerterrein Haagweg 6 (dag en nacht geopend) bedraagt het tarief voor maximaal twee uur parkeertijd € 4,00, maximaal vier uur parkeertijd € 7,00, voor maximaal vijf uur parkeertijd € 9,00 en voor een dagkaart € 12,00. Busjes vervoeren de bezoekers gratis van en naar het stadscentrum.

 

Prijs voor Meesterschap 2014 voor Roland Willemyns

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft op 20 maart 2014, overeenkomstig het advies van de Commissie voor taal- en letterkunde, besloten de prijs voor Meesterschap 2014 toe te kennen aan prof. dr. Roland Willemyns

Advies van de Commissie voor taal- en letterkunde

De Commissie voor taal- en letterkunde stelt het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor de Prijs voor Meesterschap in 2014 toe te kennen aan prof. dr. Roland Willemyns voor diens gehele wetenschappelijke oeuvre. Haar voorstel berust op de volgende overwegingen.

Roland Willemyns (Diksmuide, 1943) is emeritus gewoon hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Vrije Universiteit Brussel. Zijn wetenschappelijke loopbaan begon in 1961 met een studiekeuze voor Germaanse filologie aan de Université Libre de Bruxelles. Hij kwam er op het pad van de dialectologie en de historische taalkunde onder de vleugels van zijn leermeester Adolphe van Loey. Deze eminente grand old man van de medioneerlandistiek begeleidde zowel Willemyns’ scriptie over de woordenschat voor ‘de pit van een peer’ in West-Vlaamse dialecten, als zijn doctoraat over het vijftiende- en zestiende-eeuwse Brugs. Het proefschrift getiteld ‘Bijdrage tot de studie van de klankleer van het Brugs op het einde van de Middeleeuwen’ werd in 1968 bekroond door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Na een postdoctoraal traject bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek werd Willemyns in 1974 voltijds docent aan de Vrije Universiteit Brussel, zes jaar later gevolgd door de promotie tot gewoon hoogleraar (een ambt dat hij tot zijn emeritaat in 2008 bleef bekleden).

 

De loopbaan die Roland Willemyns nadien ontplooide wordt gekenmerkt door een bijzondere veelzijdigheid en een verregaande invloed op de neerlandistiek in binnen- en buitenland. Hij maakte school in diverse takken van de taalkunde met een coherent oeuvre van briljante publicaties. Bovendien combineerde hij een sterke sociale bewogenheid met een groot engagement in de geïnstitutionaliserde neerlandistiek. Het samengaan van al die kwaliteiten in één persoon is een indrukwekkende krachttoer en de Commissie erkent dan ook uitdrukkelijk het onbetwiste meesterschap dat hieruit spreekt.

Willemyns’ carrière begon als medioneerlandicus en dialectoloog. Hoewel die klassieke combinatie (met ook historische grammatica) nog typerend was voor de Germaanse filologie in de jaren zestig van de vorige eeuw, verried zijn jonge wetenschappelijke werk al een duidelijke voorkeur voor nieuwe en onontgonnen paden in het vak. Zo bezorgde hij als jonge vorser onder meer de uitgave van een door hem teruggevonden handschrift van de zestiende-eeuwse Bruggeling Willem Weydts en zocht hij aansluiting bij de prilste digitale revolutie in de dialectgeografie.

Toen de wetenschappelijke paradigma’s in de taalkunde ongeveer op hetzelfde ogenblik een ommekeer ondergingen, was Willemyns bij de eersten in de Lage Landen om de opkomende sociolinguïstiek voluit mee vorm te geven. Hij gaf de variationistische theorieën van Labov en de taalsociologie van Fishman in bepalende mate een plaats in de studie van de Nederlandse taal, zonder daarom de klassiekere onderzoekslijnen in zijn curriculum te verloochenen. Vanuit die voortrekkerspositie drukte hij zijn blijvende stempel op de studie van taalverandering en taalcontact in ons taalgebied, en in het verlengde daarvan ook op de ontwikkeling van inzichten in taalplanning en taalpolitiek in Nederland en België.

Beslist bijzonder is de wijze waarop het uitwaaieren van die expertise steevast gepaard ging met een verbreding en verdieping van zijn bestaande onderzoeksportfolio. Willemyns’ introductie van de historische sociolinguïstiek in ons taalgebied mag de recentste illustratie heten van zijn blijvende veelzijdigheid. Bij dit alles was hij ook nog een van de prominentste taalhistorici van het Nederlands en de Germaanse talen, en herhaald chroniqueur van de Nederlandse taalgeschiedenis.

De wetenschappelijke ontwikkeling van de neerlandistiek in binnen- en buitenland heeft Willemyns onmiskenbaar mee vorm gegeven tijdens de vier voorbije decennia. Vooral die extramurale invloed is opmerkelijk: hij was een van de eersten die lokale taalkundige onderzoeksthema's echt internationaal op de kaart zette. Willemyns ging onmiskenbaar voorop in het breken met de vastgeroeste idee dat een neerlandicus of dialectoloog per definitie enkel voor een lokaal publiek werken kon (hoe evident dat voor een jonge taalkundige vandaag ook zijn mag). De klassieke ‘internationale’ publicatiekring van de dialectologie en de filologie bleef lang beperkt tot de Duitstalige wereld, maar toen samen met de paradigma’s in zijn wetenschapsbranche ook de internationale voertaal veranderde, koos Willemyns voluit voor de introductie van neerlandistische thema’s in een Angelsaksische werkomgeving; hij bleef wel ook als een van de weinigen systematisch in het Duits publiceren.

Ook op andere (niet neerlandistische) vakdomeinen was Willemyns’ invloed constant. In het sociolinguïstische en taalsociologische veld was zijn eigenzinnige stem jarenlang toonaangevend, ook op het internationale plan. In Québec kwam het bijvoorbeeld tot een langdurige onderzoekssamenwerking rond taalplanning en taalcontact, waarbij de Belgische en Brusselse casus standaardreferenties werden.

Impact op het vak was er tevens door toonaangevende publicaties die het curriculum van de (inter)nationale neerlandistiek bepaalden. Willemyns’ handboek over ‘Het niet-literair Middelnederlands’ was jarenlang het enige in zijn soort en werd tot in de Verenigde Staten als course book gebruikt.

Dat Willemyns ook op institutioneel vlak mee ‘aan de kar trok’ aan de extramurale neerlandistiek in de jaren tachtig en negentig is meer dan een voetnoot: als voorzitter van de ‘Commissie Buitenland’ was hij het kompas voor het internationale beleid van de Taalunie.

Willemyns verzette niet enkel bakens in de eerder vermelde vakgebieden, maar maakte in de laatste twee decennia van zijn loopbaan ook letterlijk school met een 'stamboom' aan onderzoekers in de historische sociolinguïstiek en de taalplanning. Elk nieuw hoofdstuk van zijn carrière in die domeinen ging gepaard met promotiekansen voor aanstormend jong talent. Zo werd niet enkel de kennis- en expertisetransfer verzekerd naar een nieuwe generatie, maar ook de zo belangrijke uitbouw van een middenkader dat op haar beurt het onderzoek verderzetten en vernieuwen kon, ook over de grenzen van de neerlandistiek heen. Dat diverse buitenlandse onderzoeksteams binnen en buiten Europa vandaag Willemyns’ onderzoekslijnen als blauwdruk gebruiken voor projecten rond sociale taalgeschiedenis, illustreert treffend het succes van die ‘successieplanning’.

Willemyns’ aanzien bij vakgenoten en zijn sturende rol in het wetenschapsbedrijf bleven in beginsel uiteraard gestoeld op de onbetwiste kwaliteit van zijn wetenschappelijke output. Het publicatiedossier is met een 280-tal titels indrukwekkend, zowel wat nationale als internationale bijdragen betreft. Dat laatste is - nogmaals - veelzeggend: Willemyns publiceerde ver buiten de landsgrenzen (zowel in Europa als in de VS en Canada) en in meerdere talen (Engels, Duits, Frans) op een ogenblik dat dit in zijn disciplines allesbehalve vanzelfsprekend was (of verwacht werd). Wars van bibliometrische dwang gebeurde dit bovendien in vooraanstaande vaktijdschriften en boekenreeksen. Editors van belangrijke (inter)nationale naslagwerken over taalvariatie, taalcontact en taalgeschiedenis verzochten hem bovendien gedurende zijn hele loopbaan om de bijdragen over het Nederlands en/of het Nederlandse taalgebied te schrijven.

Die grote en constante wetenschappelijke productie ging in retrospect gepaard met een opmerkelijke interne samenhang. Willemyns’ 'oeuvre' is inderdaad erg consistent in zijn verscheidenheid: over alle specialismen heen schreef hij een coherente, exhaustieve en toonaangevende analyse bij elkaar van de sociale en regionale variatie in het historische en hedendaagse Nederlands. Van dat academische werk verschenen (naast talloze populariserende lezingen) drie syntheses voor een ruimer publiek met Willemyns als (co-) auteur: Het verhaal van een taal (met zes herdrukken nog steeds een van de grootste bestsellers in het genre), Het verhaal van het Vlaams en Het verhaal van het Nederlands. Deze werken werden en worden wijd verspreid gebruikt als handboek - tot en met zijn recentste Engelstalige Dutch: biography of a language (Oxford University Press).

Wie het academische werk van Willemyns als taalkundige overschouwt, ten slotte, kan niet voorbij aan de sociale bewogenheid en de duidelijke taalintegrationistische visie die er als een rode draad doorheen lopen. Onderzoek naar regionale en sociale taalvariatie was onlosmakelijk verbonden met het actief verdedigen en koesteren van talige diversiteit (en van dialecten in het bijzonder), enerzijds, en met de overtuiging dat sociolinguïsten en taalhistorici een cruciale emancipatorische rol te spelen hadden in situaties van taalcontact en taalconflict. Willemyns stond voorop in de verdediging van de Nederlandse standaardtaal als symbool van de talige eenheid van Noord en Zuid én als volwaardige prestigetaal in de heikele taalpolitieke context van België en Brussel. Bij de oprichting van de Nederlandse Taalunie in 1980 werd hij dan ook overtuigd lid (en later bestuurslid) van de Raad voor Nederlandse Taal en Letteren, een engagement dat bijna 20 jaar zou duren. Ook zijn jarenlange bestuursfunctie bij het Instituut voor Nederlandse Lexicologie en zijn werk over de Germaans/Romaanse taalgrens en de Brusselse taalsituatie kaderden expliciet in die actieve taalplanningsvisie, met dien verstande dat wetenschappelijke inzichten voor hem altijd soeverein waren, en zich nooit mochten onderwerpen aan enig politiek belang. Sociaal engagement betekende voor Willemyns overigens ook kansen geven aan aankomende onderzoekers in zijn vakgebied; tien jaar lidmaatschap van de commissie taal- en letterkunde van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen liet hem dan ook toe om zich voluit te engageren voor de carrière van jonge academici.

De commissie weet zich in haar voordracht gesteund door de ruime erkenning voor Willemyns’ meesterschap gedurende zijn loopbaan, zowel binnen als buiten de landsgrenzen. In zijn prille carrière werd hij verkozen tot het jongste lid ooit van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Nadien bekleedde hij ereleerstoelen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk: hij was een van de eerste houders van de P.P. Rubens Chair in Berkeley en mocht ook de Belgian Chair aanvaarden van University College London; aan die laatste instelling hield hij verder de prestigieuze Pieter Geyl Memorial Lecture. De indrukwekkende lijst van gastprofessoraten binnen en buiten Europa omvat aanstellingen in Duisburg, Stanford, Austin, Chapel Hill en Ann Arbor, naast talloze uitnodigingen voor plenaire lezingen. Onder de burgerlijk onderscheidingen verdient zijn benoeming tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau ten slotte beslist een vermelding.

 

Op grond van al deze overwegingen is prof. dr. Roland Willemyns een waardig laureaat voor de Prijs voor Meesterschap van onze eerbiedwaardige Maatschappij, en draagt de Commissie voor taal- en letterkunde hem met unanimiteit voor.

 

De Commissie voor taal- en letterkunde,

in haar opdracht:

(w.g.)

dr. Ronny Boogaart

prof. dr. Wim Vandenbussche

prof. dr. Nicoline van der Sijs

 

Henriette Roland Holst-prijs 2014 voor David Van Reybrouck

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Henriette Roland Holst-prijs 2014 toegekend aan David Van Reybrouck voor zijn boek Tegen verkiezingen (2013). De prijs zal op 20 september 2014 te Leiden worden uitgereikt.

 

Advies van de Commissie van voordracht

Op 28 februari 2014 heeft de ondergenoemde Commissie van voordracht tijdens een vergadering in Utrecht unaniem besloten om het boek Tegen verkiezingen (2013) van de Vlaamse auteur David Van Reybrouck voor te dragen voor de Henriette Roland Holst-prijs 2014. De Commissie verzoekt het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde om instemming met deze voordracht.

Henriette Roland Holst-van der Schalk (Noordwijk 1869-1952 Amsterdam) was behalve dichteres en schrijver een hartstochtelijk socialiste. Zij had contact met Herman Gorter, Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht, was betrokken bij de Nederlandse poging tot revolutie in november 1918, schreef de Nederlandse tekst voor De Internationale en was als orthodox marxiste geruime tijd lid van de voorloper van de Communistische Partij Nederland (CPN). Literatuur diende volgens Roland Holst vooral geëngageerde literatuur te zijn, met als doel de emancipatie van de arbeidersklasse en het verwoorden van de onvrede met de bestaande wereld. Het omvangrijke oeuvre van Roland Holst bestreek vele genres: dichtbundels (al dan niet van socialistische aard), politiek werk (o.a. Kapitaal en arbeid in Nederland uit 1932), biografieën, toneelstukken, hoorspelen en een autobiografie.

De geëngageerde literatuur van de 21ste eeuw is niet meer die van Henriette Roland Holst. De tijd van grote linkse idealen lijkt voorbij te zijn. In een tijd waarin de Partij van de Arbeid (de opvolger van de SDAP waarvan Roland Holst ooit lid was) bereid is om zwaarbevochten verworvenheden als pensioenleeftijd en zorg in te ruilen voor regeringsdeelname en aankoop van gevechtsvliegtuigen, lijkt engagement een moeilijk te traceren fenomeen. Toch is het er nog, alleen vorm en aard verschillen tegenwoordig. Het boek Tegen verkiezingen van de Vlaamse auteur David Van Reybrouck is een bijzonder geëngageerd, eigentijds en confronterend pamflet.

Van Reybrouck (Brugge, 1971) weet in een sterk, kort en zeer vlot geschreven boek de lezer te overtuigen dat het instrument van loting een effectieve mogelijkheid is om onze machteloos geworden democratie weer tot leven te wekken en burgers, die steeds grilliger en minder gaan stemmen, weer te betrekken bij iets wat hen allen aangaat. In plaats van daadkrachtig besturen zijn politici grotendeels bezig met de volgende verkiezingen. Van Reybrouck doorbreekt dit ‘democratisch vermoeidheidssyndroom’ met een oud democratisch principe uit het klassieke Athene en de Renaissance (Venetië en Florence). De Commissie is ervan overtuigd dat Henriette Roland Holst de sociale bevlogenheid van de auteur en de originaliteit van zijn oplossing voor de eroderende democratie zou hebben kunnen waarderen.

 

Commissie van Voordracht

Dr P.J. (Perry) Moree,

Mw. drs G. (Gea) Schelhaas,

Mw. drs E.A. (Elsbeth) Kwant, Hilversum

 

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2014 voor Sander Kollaard

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2014 toegekend aan Sander Kollaard voor zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (Uitgeverij Van Oorschot). De prijs zal op 20 september 2014 te Leiden worden uitgereikt.

 

Advies van de Commissie voor Schone Letteren

De Commissie voor Schone Letteren moest dit jaar een grote hoeveelheid prozadebuten beoordelen, verschenen in 2012 en 2013. Een constatering die aanleiding lijkt te geven tot blijdschap, want de conjunctuur zit tegen en de boekenbranche maakt moeilijke tijden door.

Helaas rechtvaardigt de kwaliteit van veel van deze debuten nauwelijks een uitgave in boekvorm. Het betreft meestal autobiografische anekdotiek, die zonder veel literaire stilering de wereld in is gezonden. Originaliteit in de vormgeving is ver te zoeken en het experiment is zelfs morsdood. Het gebruik van de genre-aanduiding ‘roman’ lijkt vooral commerciële doeleinden te dienen.

Het is al te makkelijk alleen geldbeluste uitgevers verantwoordelijk te stellen voor deze situatie, al zouden zij scherper mogen selecteren en meer zorg kunnen besteden aan de tekstredactie. Ook de debuterende auteurs gaan niet vrijuit. Zij zouden minder snel tevreden kunnen zijn over hun werk en zich hoeden voor premature publicatie ervan.

Tot haar vreugde is de jury ook op verhalen en romans gestuit die getuigen van talent en inzet. De verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, geschreven door Sander Kollaard, maakte in dit opzicht de meeste indruk.

Het boek van Kollaard bevat veertien verhalen (de achterflap noemt abusievelijk het getal dertien), alle met dezelfde hoofdfiguur, Erik van Duijn, die tevens als verteller optreedt. De verhalen zijn chronologisch gerangschikt: in het eerste verhaal is Erik acht jaar oud en in het laatste is hij een man van middelbare leeftijd die mijmert over de dood. Dat het steeds om hetzelfde personage gaat, blijkt uit de dwarsverbanden tussen de verhalen. Zo wordt in het verhaal ‘Hoe ik een man met baard werd’ herinnerd aan de periode van somberheid die Erik als student beleefde, beschreven in ‘Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde’, en aan de mislukking van zijn eerste huwelijk, vermeld in ‘En Dassajev verbijsterd achterliet’.

Het boek van Kollaard behelst meer dan een willekeurige reeks autobiografische lotgevallen. De verhalen dwingen de lezer de wereld met nieuwe ogen te zien, hetgeen als het waarmerk van goede literatuur mag gelden. Na de lectuur kijkt hij anders naar wat doorgaans achteloos als ‘de werkelijkheid’ wordt aangeduid. De verhalen van Kollaard demonstreren dat die werkelijkheid geenszins solide is, met alle consequenties voor de identiteit van het centrale personage.

In het openingsverhaal van de bundel, ‘Onder het zand’, beeldt de achtjarige Erik zich in dat hij wegzakt in het zand van het strand: ‘Ik stelde mij voor hoe ik in het zand wegzakte en huiverde; razendsnel kroop de angst omhoog, alsof de kilte van die natte wereld optrok langs mijn benen. Ik probeerde mijn voeten los te trekken, maar kon mij niet bewegen’ (p. 11). Zijn reactie tegenover zijn vader, die hem is komen redden, getuigt van de beangstigende confrontatie met een onbekende wereld: ‘ “Onder het zand is ook heel veel, (...) allemaal dieren en schelpen“ ’ (p. 15) In het onderhavige geval contrasteert de angstervaring met de sensatie die Erik ondergaat tijdens het zien van Neil Armstrongs landing op de maan. Erik voelt zich ‘verbonden met de hele wereld’ (p. 13). Bevrijd uit het zand beweegt hij zich voort met de allure van de Amerikaanse astronaut: ‘Al rennend stelde ik mij voor dat ik op de maan liep. Mijn passen vertraagden en verlengden zich. Mijn voeten raakten het zand nauwelijks: ik vloog bijna’(p. 16).

Dat de wereld gevaarlijk instabiel is, ervaart Erik ook op latere leeftijd. In zijn studietijd kent hij een periode waarin hij zijn hand niet als de zijne herkent en zijn kamer slechts kan waarnemen als een onsamenhangende verzameling losse voorwerpen. Deze sensatie van desintegratie wordt afgewisseld met momenten waarop hij lijkt te versmelten met zijn omgeving. Op zoek naar hulp maakt hij bij toeval kennis met een eenzame oude man, die zijn vrouw heeft verloren. Erik ervaart ‘geborgenheid’ (p. 37) bij de man, een liefhebber van stijldansen. Samen dansen zij de foxtrot in een prachtige scéne die het schrijnende hoogtepunt vormt van het titelverhaal.

Het woord ‘werkelijkheid’ mag robuust klinken, de hoofdfiguur van Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde kan zich er vaak nauwelijks in handhaven. De wereld roept vragen op en vervolgens angsten. In ‘En Dassajev verbijsterd achterliet’ zoekt Erik van Duijn naar een verklaring voor het merkwaardige doelpunt dat Marco van Basten scoorde in de finale van het Europees Kampioenschap voetbal in 1988. Waarom liet de Russische keeper de op het oog houdbare bal gaan? Dassajev zelf gelooft in een wonder, veroorzaakt door een hogere macht. Hij is dan ook gelovig geworden en ziet onvermoede samenhangen, bijvoorbeeld tussen het verlies in de finale en het uiteenvallen van de Sovjet Unie.

Erik van Duijn geeft zich niet gewonnen aan het geloof. In plaats van deze capitulatie kiest hij voor een rationele benadering, als de werkelijkheid hem op ongerijmdheden vergast. In ‘Hoe ik een man met baard werd’ doet Erik een angstige ervaring op tijdens zijn ochtendlijke scheerritueel: ‘Mijn eigen gezicht kwam me voor als een masker waarachter een ander school, die er onmiskenbaar doorheen schemerde’(p. 78). Het gevoel van vervreemding voert hem achtereenvolgens naar een neuroloog en een psychiater. De laatste plaatst Eriks angst in een evolutionair perspectief: ‘Dat is wat u parten speelt: een miljoenen jaren oude angst voor een onbegrepen wereld, die elk moment kan toeslaan met een fatale wending van het lot’(p. 84).

Ook in dit verhaal weet Erik van Duijn zijn crisis te overwinnen. Hij is niet iemand die zich overgeeft aan de verwarring. Integendeel, hij houdt van ‘de schoonheid die voortvloeit uit een trefzekere ordening’ (p. 18), streeft ernaar zijn periodieke reizen zo precies mogelijk te herhalen en kent een hang naar ‘orde’ en ‘doelmatigheid’ (p. 142). Het verbaast dan ook niet dat hij behept is met een fobie voor slangen, die vanuit ‘een volstrekte roerloosheid’ tot ‘een razendsnelle beweging’ kunnen komen, aldus ‘het noodlot’ symboliserend (p. 126).

Het werk van Sander Kollaard biedt de lezer een boeiende, maar verontrustende visie op de wereld. De vertrouwde grenzen en verbanden zijn daarin niet langer van kracht. De verhalen zijn zorgvuldig geschreven, in een mild ironische stijl. Een fraai voorbeeld van deze schrijftrant vormt het visitekaartje in het titelverhaal waarop een helderziende alle denkbare problemen belooft op te lossen, variërend van ‘examens’ en ‘opheffen van vervloekingen’ tot ‘auto’. De jury kan een dergelijk voertuig niet in het vooruitzicht stellen: het zou een te forse aanslag betekenen op het budget van de Maatschappij. Zij draagt Sander Kollaard met zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde echter wel unaniem voor ter bekroning met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2014.

 

Kester Freriks, voorzitter

Pia de Jong

Ester Naomi Perquin

Gerard Raat

Yves T’Sjoen

 

Frans Kellendonk-prijs 2014 voor Esther Gerritsen

Rapport van de Commissie van voordracht

De schrijfster Esther Gerritsen (1972) zoekt in haar proza voortdurend de grens op tussen normaal en zonderling gedrag, en tussen publieke en privé-zaken. Haar inzet is iets van mensen te snappen, en ‘fictie is dé manier om te onderzoeken hoe mensen in elkaar zitten’, aldus Gerritsen zelf. Haar romans gaan over de binnenwereld van vrouwen, en hoe die intieme wereld kortsluiting maakt met de buitenwereld. Vervreemding, onvertrouwdheid, onhuiselijkheid: de gezinsverbanden in Gerritsens boeken zijn geen havens of bakens, maar plekken waar het leven een gevecht is. Dat gevecht beschrijft ze niet zonder humor. Gerritsen ziet het pijnlijke in het grappige, en het grappige in het pijnlijke, in de relaties tussen mensen.

Elisabeth, de moeder in Gerritsens laatste en indrukwekkende roman Dorst (2012), komt er rond voor uit dat ze niet geschikt is voor het moederschap en dat ze zonder haar dochter kan. Als haar dochter Coco toch bij haar gaat wonen omdat Elisabeth ongeneeslijk ziek is en binnenkort zal sterven, zorgt deze ‘ongewenste zorg’ voor een precaire en verwrongen situatie in huis. Net als bij haar eerste roman Tussen een persoon (2002) waarin hoofdpersoon Lucie haar man met ducktape vastbindt op bed omdat ze niet wil verhuizen. Coco sluit haar moeder uiteindelijk op, en Elisabeth sterft een eenzame dood. Maatschappelijk gezien zijn dat ongewilde situaties, die afschuw en verontwaardiging oproepen. In Superduif (2010) wil Bonnie, de dertienjarige hoofdpersoon, het liefst dood, maar door te transformeren in een reddende superduif verdwijnt ze in haar fantasiewereld. Dominique in Een kleine miezerige god (2008) verzint haar eigen godje om het leven aan te kunnen, en ook zij eindigt helemaal alleen. Geen van allen passen ze zich aan aan wat de omgeving van ze vraagt of verlangt. ‘Wel of niet deugen, dat bestaat niet voor mij,’ zegt Gerritsen er zelf over. Dat leidt er wel toe, dat in al haar romans eenzaamheid het slotstuk is.

Haar personages belanceren vaak op de rand van de psychose, en juist daar is voor de lezer scherp te zien hoe hoog de eisen zijn die de maatschappij aan mensen stelt, en hoe velen ten onder gaan. De gebruikelijke sociale logica en omgangsvormen worden door de schrijfster meteen buiten werking gesteld. Zodra het irrationele leidend wordt in het verhaal, is Gerritsen op haar best.

Ook op de korte baan is Gerritsens werk maatschappelijk onaangepast te noemen. Haar columns, gebundeld in Jij hebt iets leuks over je en Ik ben vaak heel kort dom zijn stuk voor stuk kleine case studies van personages en verhaallijnen; de grens tussen werkelijkheid en verhaalwereld lijkt vaak bescheiden. Of Gerritsen nu schrijft over haar liefde voor tv-series als Dallas (‘Ik denk dat mijn wereldbeeld is gevormd in de jaren tachtig door de eerste soap die ik in mijn leven zag’) of over de onwenselijkheid van het niet nuttigen van een bestelde kop koffie (‘Waarom zou het geen verspilling zijn wanneer die koffie opgedronken wordt, maar wel wanneer die koffie daar blijft staan?’), Gerritsen stelt vragen bij de sociale conventies rond ons handelen en denken, conversaties en andere menselijke interacties. Ze onderwerpt het dagelijks leven aan een minutieus onderzoek, niet zozeer uit een diep verlangen dit werkelijk te begrijpen, maar om een werkelijkheid te scheppen waarmee zij uit de voeten kan. In ‘In mijn bibliotheek kan dat’ schrijft Gerritsen dat ze als kind besefte dat ze ‘nieuw was in een oude wereld en dat alles wat ik was (dacht en voelde) ergens in zou passen, omdat er al zoveel was, zoveel dat ik nog onmogelijk kon overzien. (...) Door het schrijven leerde ik later de dingen steeds weer anders te zeggen, te herschrijven dus. Net zolang tot het klopte en ik mijn gedachten had omgezet in iets tastbaars en zo had ontdekt waar die gedachte in paste.’ Het resultaat is een particulier universum waarin het voor de lezer verwonderd dwalen is.

In haar romans zet Gerritsen tegenover de maatschappelijke verwachtingen die aan haar personages gesteld worden, de kracht van de intimiteit. Oek de Jong schreef onlangs in zijn essay Wat alleen de roman kan zeggen dat de ‘verbeelding van het intieme’ een van de kenmerken is waarin de roman zich onderscheidt van andere kunstvormen. De roman kan bij uitstek onze ‘innerlijke wereld’ beschrijven. En dat doet Gerritsen, en wie weet is dat ook de reden waarom ze van toneel naar de roman is overgestapt. De lezer wordt verleid de kronkelige gedachtengangen te volgen van haar onconventionele vrouwen. Hun intieme binnenwereld zien we, en we kijken door hun ogen naar buiten. Het is een unieke blik.

Niet alleen in haar onderwerpkeuze, maar ook in haar stijlgevoel is Gerritsen een buitencategorie. Haar absurdistische logica en subtiel-humoristische stem maken iedere zin in haar romans en columns een ‘typische Gerritsen’. Dat is bijzonder in de Nederlandse letteren en dat is een belangrijke overweging geweest van de jury om Esther Gerritsen te nomineren voor de Frans Kellendonk-prijs. Voor Kellendonk was een superieure en onderscheidende stijl hét mes om de maatschappij, sociale gewoontes en vooronderstellingen mee te fileren. Dat lemmet past wonderwel in de hand van Gerritsen. Daarom draagt de jury haar op grond van haar gehele oeuvre en met volle overtuiging voor voor de Frans Kellendonk-prijs 2014.

 

Commissie van voordracht

Jasper Henderson

Ton van Kalmthout

Maria Vlaar

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft besloten op grond van het bovenstaande rapport de Frans Kellendonk-prijs 2014 toe te kennen aan Esther Gerritsen. De prijs is op 24 februari 2014 te Nijmegen aan haar uitgereikt.

 

Bronzen plaquette gewijd aan Vasalis in Leiden onthuld

Op woensdag 4 december 2013 jl. is vanwege de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden om 13.00 uur een door de beeldhouwer Aart Schonk ontworpen bronzen plaquette gewijd aan Vasalis onthuld.

De plaquette is aangebracht op het woonhuis Lijsterstraat 36 te Leiden, onder het raam van de studentenkamer (hoek Leeuwerikstraat) waar Vasalis tussen 1927 en 1934 heeft gewoond toen zij aan de Leidse universiteit geneeskunde studeerde.

Vasalis, een pseudoniem van Margarethe Drooglever Fortuyn-Leenmans, leefde van 1909 tot 1998. Ze heeft een klein oeuvre nagelaten. Voor haar Parken en woestijnen kreeg ze in 1941 de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs (1941) van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Later, voor haar hele oeuvre, ontving ze de Constantijn Huygensprijs (1974) en de P.C. Hooftprijs (1983). Haar laatste dichtbundel Vergezichten en gezichten dateert uit 1954. Postuum verscheen De oude kustlijn (2002).

Veel geciteerde dichtregels van haar zijn:

Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn
maar het afgesneden zijn.

De plaquette is op initiatief van de huidige bewoners, de heer mevrouw Dirken, en gesteund door de Commissie Gevelstenen van de MNL (dr. Eep Francken, dr. Nelleke Moser, drs. Carla van der Poel en dr. Louk Tilanus) tot stand gekomen.

De Commissie Gevelstenen van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde is ingesteld om via het aanbrengen van gedenktekens (plaquettes, gedenkstenen, gevelstenen e.d.) het literair erfgoed in Leiden en elders levend te houden.

Inmiddels heeft de Maatschappij vier gedenktekens buiten Leiden laten plaatsen (Parijs - C. Busken Huet, Amsterdam - G.A. Bredero, Den Haag - C. Vosmaer, Alkmaar - A.L.G. Bosboom-Toussaint).

In Leiden zelf zijn gedenktekens te vinden van Frans van Lelyveld (Hogewoerd 126b), Willem Bilderdijk (Rapenburg 37), J. Kneppelhout (Rapenburg 65), Jacob Geel (Rapenburg, tussen nr. 93- nr. 95), Albert Verwey (Kloksteeg 25), A.W. Sijthoff (Doezastraat 1), Nicolaas Beets (Breestraat 114 C) en F.B. Hotz (Rijnsburgerweg 75).

Hal Drooglever Fortuin, zoon van Vasalis (rechts) onthult onder het toeziend oog van  Peter Sigmond, voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (links) de plaquette
Hal Drooglever Fortuin, zoon van Vasalis (rechts) onthult onder het toeziend oog van Peter Sigmond, voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (links) de plaquette
Hal Drooglever Fortuin, zoon van Vasalis
Hal Drooglever Fortuin, zoon van Vasalis
Beeldhouwer Aart Schonk
Beeldhouwer Aart Schonk
Begeleidend bordje
Begeleidend bordje
De plaquette
De plaquette
 

Grote schenking Friese taal- en letterkunde in Universiteitsbibliotheek

De bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (MNL), die is ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek Leiden, ontving van het Feitsmafonds ca. 550 titels op het gebied van de Friese taal- en letterkunde en geschiedenis. De boeken zijn afkomstig uit de bibliotheek van Prof. Dr. Anthonia Feitsma (1928-2009), oud-hoogleraar Friese taal- en letterkunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Ze bracht een indrukwekkende bibliotheek bijeen, waarin haar brede belangstelling en behoefte aan grondige documentatie tot uitdrukking komt. In eerste instantie heeft Tresoar in Leeuwarden uit haar bibliotheek mogen opnemen wat nog niet aanwezig was op de terreinen waarop Tresoar collectioneert (ca. 2500 titels). Op het gebied van het Fries was al veel in Tresoar aanwezig. Uit de rijke verzameling die overbleef heeft de Maatschappij ca. 550 titels geselecteerd. Deze collectie vormt een enorme uitbreiding van de bestaande collectie Friese taal- en letterkunde, waarvoor de grondslag in de negentiende eeuw gelegd werd door Eelco Verwijs (1830-1880) die al zijn boeken aan de MNL vermaakte. Sindsdien ontstonden er grote lacunes die deels werden opgevuld door de ca. 850 titels uit de bibliotheek van Prof. Dr. E.G.A. Galama, oud-hoogleraar Fries in Leiden, die de MNL in 2001 verwierf. Door de schenking-Feitsma is het Friese bezit van de MNL aanzienlijk versterkt, zodat die na de collecties van Tresoar en de Koninklijke Bibliotheek als de grootste in ons land mag gelden.

 

Laureatenavond 2013

ter gelegenheid van de toekenning van de Henriette de Beaufort-prijs 2013 aan Gita Deneckere en de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs aan Kira Wuck

Woensdag 1 mei 2013

Universiteitsbibliotheek Leiden

Programma

20.00   Verwelkoming door de Voorzitter, Peter Sigmond

20.10   Gita Deneckere, n.a.v. Leopold I. De eerste koning van Europa met een interview door Henk te Velde

21.00   Kira Wuck, n.a.v. Finse meisjes met muzikale bijdragen van Olaf Caarls en een interview door Aleid Truijens

21.50   Receptie

 

1813-2013  200 jaar koninkrijk: de mythe van 1813?

Themabijeenkomst georganiseerd door de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde

Maandag 22 april 2013, 13.30-18.00 uur

Plaats: Universiteitsbibliotheek Leiden, Zaal Zuidhal, 2e verdieping

In het najaar van 2013 zal 200 jaar koninkrijk uitgebreid gevierd worden. Met de jaarlijkse themamiddag - dit keer onder de titel 1813-2013 200 jaar koninkrijk: de mythe van 1813 - preludeert de Commissie voor Taal en Letterkunde hierop. Vijf sprekers zullen op 22 april vanuit verschillende invalshoeken en disciplines de aanstaande viering, de historische context en mythevorming belichten.

Alle belangstellenden worden van harte uitgenodigd de middag bij te wonen.

Namens de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde:

Nelleke Moser, Jan Oosterholt en Marijke van der Wal (organisatoren).

Graag een aanmelding van uw komst, vóór 8 april, naar m.j.van.der.wal@hum.leidenuniv.nl

PROGRAMMA

1813-2013  200 jaar koninkrijk: de mythe van 1813?

13.30 uur Zaal open

14.00 uur Opening van de themamiddag door Marijke van der Wal (Universiteit Leiden)

1e deel programma voorgezeten door Nelleke Moser (VU Amsterdam)

14.05 - 14.35 uur Henk te Velde (Universiteit Leiden)
1813: geschiedenis van een mythe

14.35 - 15.05 uur Lotte Jensen (Radboud Universiteit Nijmegen)
Nappie, daar ga je! Nederlands verzet tegen Napoleon

15.05 - 15.35 uur Ellen Krol (Karelsuniversiteit Praag)
“Het twistend kroost, dat u verstiet.” Gedichten over Oranjes terugkeer in 1813

 

15.35 - 16.00 uur Pauze

 

2e deel programma voorgezeten door Jan Oosterholt (Universiteit van Amsterdam)

16.00 - 16.30 uur Frans Grijzenhout (Universiteit van Amsterdam)
Tussen Bull en Boney. De Nederlander in de Europese satire 1780-1820

16.30 - 17.00 uur Janneke Weijermars (Radboud Universiteit Nijmegen & RU Groningen)
‘Nu 'k als Belg herleéf’. De Zuidelijke Nederlanden in de eerste jaren onder Willem I

17.00 - 18.00 Afsluiting en borrel aangeboden aan de deelnemers door het bestuur van de Maatschappij.

TOELICHTING

Henk te Velde, 1813: geschiedenis van een mythe

Vanaf het begin is 1813 gepresenteerd als een groot moment in de Nederlandse geschiedenis. Dat gebeurde met zoveel retorisch geweld, dat na enige tijd een reactie niet kon uitblijven. Al aan het einde van de negentiende eeuw ontstond enige gêne over de 1813-retoriek. In de laatste decennia van de twintigste eeuw moest 1813 als funderend moment in de Nederlandse geschiedenis onder historici ook nog eens veel inleveren door de herwaardering van de eraan voorafgaande periode. Na een beschouwing van de herdenkingsgeschiedenis en de historiografie zal ik de vraag stellen wat er van 1813 (en de periode 1813-1815) over is na de mythe.

 

Lotte Jensen, Nappie, daar ga je! Nederlands verzet tegen Napoleon

Het jaar 1813 wordt vaak als het beginpunt van een nieuwe periode in de Nederlandse geschiedenis beschouwd: na de bevrijding van de Fransen ontstond een ware verheerlijking van het vaderland en kwam het nationalisme tot volle bloei. Dergelijke uitingen van vaderlandsliefde gingen echter terug op een verzetscultuur die al tijdens de Napoleontische overheersing vorm kreeg. Er waren verschillende vormen van theatraal verzet: welke rol speelde het toneel in het verzet tegen de Franse keizer? En in hoeverre speelde de Nederlandse identiteit daarbij een rol?

Ellen Krol, “Het twistend kroost, dat u verstiet.” Gedichten over Oranjes terugkeer in 1813

De terugkeer van Oranje wordt in 1813 en 1814 uitbundig bezongen door Nederlandse dichters. De verzen van dichters als M. Westerman, H.A. Spandaw, W. Bilderdijk, K.W. Bilderdijk-Schweickhardt, P. Moens, H.H. en B. Klijn en anderen zijn verschenen als gelegenheidsdrukwerk en soms later opgenomen in hun dichtbundels. Hoe voltrok zich de ontvangst van Oranje in dit gelegenheidsdrukwerk in chronologisch opzicht en welke inhoudelijke thema’s bespreken deze gedichten?

Frans Grijzenhout, Tussen Bull en Boney. De Nederlander in de Europese satire 1780-1820

De revolutionaire decennia rond 1800 worden gekenmerkt door een enorme satirische productie, in woord en beeld. In deze dynamische tijden, waarin de machtsverhoudingen permanent wisselden, lijkt desondanks een sterke behoefte te hebben bestaan aan stabiele beelden van al die naties in beroering. Nationale (zelf)beelden en Europese wisselwerkingen staan centraal in deze bijdrage.

Janneke Weijermars, ‘Nu 'k als Belg herleéf’. De Zuidelijke Nederlanden in de eerste jaren onder Willem I

Terwijl Nederland eind november 1813 op het Scheveningse strand zijn nieuwe vorst binnenhaalde en Napoleon door deze feestelijke gebeurtenis naar de achterkamers van het collectieve geheugen werd verdreven, stonden de Zuidelijke Nederlanden nog met twee benen in de Franse Tijd. De Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden werden vervolgens samengevoegd onder deze Oranjevorst Willem I, maar die nieuwe staatkundige constructie voltrok zich zonder dat de Zuid-Nederlanders er erg in hadden. Ze hadden ook wel iets anders aan hun hoofd dan na te denken over een gedeelde toekomst met het Noorden: de Fransen bevonden zich nog op Zuid-Nederlandse bodem en lieten er een spoor van verwoesting achter. Pas op 5 mei 1814 viel Antwerpen als laatste stad. In de eerste jaren van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden doet koning Willem I verwoede pogingen het Zuiden voor zijn rijk warm te laten lopen, terwijl de zuiderlingen hun wonden likken en fantaseren over de terugkeer van hun Belgische volksaard. De Zuid-Nederlandse literatuur uit deze periode laat zien dat de neuzen in Willems koninkrijk allerminst dezelfde kant opstaan.

 

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2013 voor Kira Wuck

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2013 toegekend aan Kira Wuck voor haar dichtbundel Finse meisjes (Uitgeverij Podium). De prijs zal op 25 mei 2013 te Leiden worden uitgereikt.

Het rapport van de Commissie van voordracht luidt als volgt:

Dichtkunst is allang niet meer het literaire genre dat zich uitsluitend in de stilte tussen de bladzijden bevindt. Een stilte die benadrukt wordt door het wit van de bladspiegel eromheen. Performance, voordracht, poetry slam, vaak begeleid door muziek of anderszins, zijn een steeds hechter band aan gegaan met de dichtkunst.

Dichteres Kira Wuck (1978) is winnaar van het Nederlandse Kampioenschap Poetry Slam 2011. Dit betekent echter niet dat haar gedichten per se hun zeggingskracht ontlenen aan de gedreven voordracht. Wuck is van half Indonesische, half Finse afkomst en ze groeide op in Amsterdam. Haar moeder was van Finse afkomst, haar vader Indonesisch. Het is verleidelijk de culturele kenmerken van deze beide nationaliteiten, het noordelijke Fins en het tropische Indonesisch, op te speuren in haar werk. Deze invalshoek levert een verrassende ontdekkingsreis door haar debuutbundel Finse meisjes (2012). De bundel ontleent zijn grote kracht aan de balans tussen grote tegenstellingen, die Wuck op voortreffelijke wijze in evenwicht houdt. Met tal van deze gedichten wist ze tijdens voorleesavonden op poëziefestivals het publiek te boeien, en wie de gedichten hardop leest merkt hoe ritmisch sterk en verrassend van schakering in tempo en observatie zijn geschreven. In dit opzicht is het titelgedicht ‘Finse meisjes’ een toonbeeld van haar poëtica: de verbinding van het lagere en hogere, van liefde en alledaagsheid, van verwachting en teleurstelling:

Finse meisjes zeggen zelden gedag

maar zijn niet verlegen of arrogant

je hebt alleen een beitel nodig om dichtbij te komen

ze bestellen bier voor zichzelf

reizen de hele wereld af

terwijl hun mannen thuis wachten

(---)

ze hangen rond in bushokjes

en soms naakt in een meer

Het knappe van dit gedicht is de spanning tussen de achtereenvolgende, schijnbaar terloops geformuleerde mededelingen. De twee eerste regels hebben nog niets verontrustends, hoewel er tussen meisjes die geen gedag zeggen en diezelfde meisjes die ‘niet arrogant of verlegen’ zijn een onderhuidse discrepantie schuilt. De lezer is alvast gewaarschuwd. En dan komt de derde regel als een ferme klap: je hebt een beitel nodig. En waarom? Om ‘dichtbij te komen’. Dat is een sublieme wending. Er staat niet: je hebt een beitel nodig om ze open te breken of om hun mogelijke arrogantie te splijten, nee, om ‘dichtbij te komen’. Finse meisjes dragen kennelijk een aureool om zich heen, noem het een bevroren meer van afstandelijkheid. Maar als je dichtbij bent, ben je er nog niet, zegt de dichteres. Want neem de volgende regels over het bier dat ze voor zichzelf bestellen en dat ze de wereld rondreizen terwijl hun mannen thuis wachten. Mannen? Het zijn toch meisjes, getrouwde Finse meisjes dus.

Bij Kira Wuck gebeurt er van alles tussen de regels. Ze maakt sprongen die pas halverwege het gedicht of aan het slot, soms zelfs helemaal niet, door de lezer of toehoorder begrepen kunnen worden. Een groots gedicht van een bijzondere vertellende kracht is ‘Mijn ouders zijn goed in ontvreemden’. Het kleine kind dat Wuck opvoert erkent in de eerste strofe dat zijzelf op de kleuterschool een houten paardje steelt, niet omdat ze het zo mooi vind maar omdat ‘niemand het ziet als ik het in mijn zak stop’. Meteen daarop volgt de meer algemene regel, een echte fraaie sententie: ‘de meeste dingen gebeuren tijdens iemands afwezigheid’.

Dan gaat ze per strofe haar familie langs met elk een persoonlijk incident van het vervreemden: een vader die zwart rijdt met zijn dochter, een vader die zijn elpees nooit terugbrengt naar de bibliotheek. Dat is tot daaraan toe, dat zijn materiële zaken. Maar een ‘moeder (die) verliefd is op mijn logopedist/ ze komt het huis niet uit, behalve voor mijn spraaklessen’? Dat is immaterieel. En dus kennelijk ook een vorm van ‘ontvreemden’, want ze ontvreemdt haar man de liefde en brengt die liefde naar de logopedist. In de volgende strofe zijn we in de bibliotheek en daaropvolgend (inmiddels de vijfde) bevinden we ons in de tram waar vader en dochter door mannen in blauwe jassen betrapt worden. En bijna als terloops noteert Wuck: ‘ik hoor het adres van een oude kennis, dat de conducteur noteert/ hetzelfde adres voor rekeningen van de bibliotheek’.Dit gedicht gaat over het volwassen worden, zoals uit de laatste van de acht strofen blijkt: ‘Mijn vader leert mij fietsen en laat mij los op een berg/ mijn voeten zoeken de trappers en ik ben bang/ maar hij weet dat ik het kan vandaag.’ Deze vader, die zo goed is in het ontvreemden van elpees en zwartrijden in de tram, ‘ontvreemdt’ zijn dochter ook iets, namelijk angst. Maar hij doet dat door haar het tegendeel te schenken: hij geeft haar zekerheid.

Familie speelt een beslissende rol in deze bundel. Vader en moeder, grootmoeder. Familieleden zijn de ijkpunten van iemands bestaan en als zij wegvallen, dan moet een nieuw houvast bevochten worden. Kira Wuck benadrukt dat in vele gedichten. Dat hieraan een autobiografisch gegeven ten grondslag ligt, valt buiten het kader van deze woorden van waardering. Al hebben de gedichten van Wuck een stijl die parlando heet, het zijn beslist geen kabbelende regels. Meteen in het eerste gedicht zet zij de toon voor een bundel die schijnbaar alledaagse en achteloze observatie verbindt met een geëmotioneerde ondertoon:

Hierna drink ik niet meer doordeweeks zei ik

en vroeg aan willekeurige oude mannen

onder aan roltrappen of ze mijn opa waren

eentje antwoordde dat het hem speet.

Treffend is de plaats waar de ik figuur en de oude mannen elkaar ontmoeten: onder aan roltrappen. De vragen die zich aandienen zijn interessant: wil de ik figuur met de mannen naar boven? Of staat ze onderaan de roltrappen de mannen op te wachten? Getuige de volgende regel geniet de laatste optie de voorkeur, want: ‘Toen ik hem vond liepen we door de stad.’ Als we het beeld scherp voor ogen willen halen, dan lijkt het alsof de ik de oude mannen onderaan de roltrappen heeft opgewacht. Ze komen dus van boven naar beneden, ja, vanuit de hemel omlaag.

Goede poëzie nodigt de lezer uit mee te denken, mee te dichten, het gedicht als het ware te voltooien. Kira Wuck is een geraffineerd dichteres. Hoewel haar toon argeloos en terloops is, alsof ze haar inspiratie opdoet bezijden de grote gebeurtenissen in de wereld, getuigen haar gedichten van een bijzonder talent om in die subtiele achteloosheid grote thema's als liefde, familie, betrokkenheid en verlangen naar saamhorigheid aan te snijden. De jury van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2013 is unaniem verrast door de hoge kwaliteit van de bundel Finse meisjes waarin complexiteit en eenvoud, hoge thematiek en herkenbare waarnemingskunst elkaar schitterend en overtuigend in balans houden. Kira Wuck heeft haar kwaliteiten al ten zeerste bewezen tijdens haar bijzondere poëzievoordrachten. Deze voordracht tot bekroning maakt duidelijk dat haar werk niet minder overrompelend op het wit van het papier.

De Commissie van voordracht: Elke Brems, Pia de Jong, Kester Freriks (voorzitter) Ester Naomi Perquin en Gerard Raat

Zie voor een video over de laureaat:

 
Video
 

Henriëttte de Beaufort-prijs 2013 voor Gita Deneckere

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Henriëtte de Beaufort-prijs 2013 toegekend aan Gita Deneckere voor haar biografie Leopold I. De eerste koning van Europa 1790-1865 (WPG uitgeverij België, De Bezige Bij Antwerpen), verschenen in 2011. De prijs wordt op 25 mei 2013 uitgereikt in het Academiegbouw te Leiden.

Het rapport van de Commissie van voordracht luidt als volgt:

De Henriëtte de Beaufortprijs bekroont om de drie jaar een in het Nederlands geschreven biografie of autobiografie, afwisselend van de hand van een Nederlandse en Vlaamse auteur. Het genre van de biografie is allesbehalve eenduidig. De rode draad in de diverse omschrijvingen ervan is echter dat levensverhaal en tijdsbeschrijving interfereren en daardoor nieuw licht werpen op de betrokken persoon en de omgeving waarin hij geleefd heeft. Precies in de verstrengeling van het persoonlijke en het bredere historisch kader, van levensverhaal en feitelijke geschiedenis eromheen ligt de aantrekkingskracht en het succes van de biografie. Het is een genre dat de laatste jaren ook in Vlaanderen een inhaalbeweging heeft meegemaakt die geleid heeft tot een aantal kwalitatief hoogstaande, vaak volumineuze werken. De jury van de Henriëtte de Beaufortprijs mocht dat tot haar vreugde (zij het met enige bezorgdheid voor het vele leeswerk) constateren. Zij heeft zich uiteindelijk niet laten leiden door al te theoretische bespiegelingen rond wat het genre vereist of dient te vermijden, maar door een globale leeservaring. Op grond daarvan wenst ze ter bekroning in 2013 voor te dragen Leopold I. De eerste koning van Europa 1790-1865 van Gita Deneckere, verschenen in 2011. Met dit werk presenteert de auteur een indringende biografie over en rond Leopold I, de eerste koning der Belgen, maar tevens, zoals de titel terecht aangeeft, ook ‘eerste koning van Europa’, omdat de lezer aan de hand van Deneckere, interessante uitstapjes maakt naar diverse landen, vorstenhuizen en politieke ontwikkelingen in de negentiende eeuw..

Want Gita Deneckere weet ‘breed’ te schrijven, waardoor het leven van Leopold I op een natuurlijke wijze is ingekaderd. Hoewel hij de hoofdfiguur is van deze biografie wordt hij in het grotere gebeuren van de negentiende-eeuwse ontwikkelingen niet altijd als centrale figuur neergezet. Hij blijkt ook vaker een bijrol te hebben of achter de coulissen te werken als bemiddelaar dan een leading man te zijn. In dat opzicht laat Deneckere duidelijk zien dat zij in de eerste plaats historica is en pas daarna biografe. Daarin onderscheidt deze biografie zich van andere, ook uitstekende biografieën, waarin de auteurs de beschrevene in de regel dichter op de huid zitten. Dat kan als bezwaar worden gezien, maar is volgens de jury tegelijkertijd ook de kracht van haar studie, waarin zoveel meer wordt geboden dan het verhaal van een enkel persoon. De lezer wordt via het verhaal van Leopold en de familiegeschiedenis van de Van Saksen-Coburgs meegezogen in een belangrijkstuk van de Europese geschiedenis van de negentiende eeuw..

Leopold I was namelijk een telg uit de dynastie Saksen Coburg en Gotha die toentertijd in Europa, ondanks haar provincialistische komaf, een grote politieke invloed verkreeg door een uitgekiende huwelijkspolitiek, een fijnmazig familiair netwerk en de levering van kandidaten voor de troon van verweesde koninkrijken. Nadat een aanstelling tot koning van Griekenland mislukt was, aanvaardde hij in 1831 het koningschap van de kersverse staat België.

De massale belangstelling voor al wat met ‘royalty’ te maken heeft vormt een treffend bewijs voor de stelling dat onze moderne tijd nog niet los is geraakt van een instituut als het erfelijk koningschap, ook al leeft Leopold I niet echt voort in het collectieve geheugen van de Belgische natie. Toch heeft Deneckere zich in deze historische figuur verdiept in het besef dat de geschiedenis van het koningschap een bij uitstek ‘sociale’ geschiedenis is, zij het van een bovenlaag, van een elite die ver boven de massa verheven bleef. Anderzijds speelt ook het persoonlijke, autobiografische element een belangrijke rol in deze biografie, omdat de vertrouwelijke correspondentie van Leopold I met tal van collega-vorsten en andere hooggeplaatste personen de ruggengraat vormt van dit volumineuze boek. Daardoor is het geen traditionele ‘vorstenbiografie’ geworden, noch een strikt Belgisch geschiedverhaal. Integendeel, het nationale kader wordt van bij het begin doorbroken, met als resultaat dat het direct of indirect aan Leopolds ‘Coburg-clan’ gekoppelde panorama zich over een wijd gebied verspreidt: Duitse, Russische, Britse, Griekse, Franse, Oostenrijkse, zelfs Mexicaanse, maar natuurlijk ook Belgische verhaallijnen waaieren uit en maken de biografie tot een ‘transnationale geschiedenis’ (p. 22).

Dat is meteen het verrassende en boeiende aan deze studie die leest als een, zij het soms wat digresserende, achttiende-eeuwse roman: de samenvattende titelomschrijvingen à la Fielding van de chronologisch op elkaar volgende hoofdstukken wekken de nieuwsgierigheid van de lezer en wijzen terzelfder tijd, via subtiele prikjes, op een dieperliggend niveau waarop deze studie kan worden gelezen, nl. hoe het conservatieve gedachtegoed van Leopold “doet na-denken over geschiedenis en vooruitgang, autoriteit en leiderschap, vrijheid en gelijkheid, democratie en dictatuur, oorlog en vrede. Het legt een brug tussen het neoconservatisme vandaag en de angst voor democratie in het tijdsgewricht waar de Franse Revolutie en Napoleon hadden huisgehouden” (p. 25).

Ruggengraat van het boek is, zoals reeds gezegd, de briefwisseling tussen Leopold en collega-vorsten, vooral dan die met zijn nicht, de dertig jaar jongere koningin Victoria van Engeland. In de negentiende eeuw was de brief bij uitstek het middel om contact te houden en netwerken op te zetten. Deneckere heeft die uitgebreide briefwisselingen – sommige reeds uitgegeven, vele andere nog in de archieven – grondig bestudeerd, geciteerd en geparafraseerd, zodat de lezer in staat wordt gesteld de innerlijke zielenroerselen en persoonlijke bespiegelingen van Leopold en de andere briefschrijvers en -schrijfsters te volgen. De vertrouwelijkheid en openhartigheid van die gigantische briefwisseling – bij Leopold, en ook bij Victoria, was het devies niet ‘nulla dies sine linea’, maar veeleer ‘nulla dies sine epistola’ (of beter ‘epistolis’!) – is van uitzonderlijke waarde voor de authenticiteit van de biografische gegevens. Zoals Deneckere het zelf weergeeft: “Het was de openhartigheid die me meteen trof, de zeer directe formulering van de intiemste gedachten en gevoelens door vorsten met een enorme epistolaire cultuur en lust voor het schrijven” (p. 10).

Mede door die vele brieven en door de talloze pogingen om via andere contacten, zij het vaak van aan de zijlijn, de politieke ontwikkelingen in Europa mee te sturen, komt Leopold ook als mens van vlees en bloed goed naar voren. Dit is vooral het geval in zijn beschrijving van de familierelaties, de hechte band met zijn eerste vrouw, de People's Princess Charlotte, wier vroegtijdige dood hij niet meer te boven zou komen, de veel afstandelijkere relatie tot zijn tweede vrouw, Louise d’Orléans, de moeizame band met zijn zoons en de controversiële buitenechtelijke relaties die hij erop na hield.

In het overleg met koningin Victoria komt ook goed naar voren dat beide vorsten wel degelijk beseften dat het absolutisme van het ancien régime definitief verleden tijd was: het opkomende liberalisme en het steeds verdergaande democratiseringsproces vereisten een koningschap nieuwe stijl. Dat gold zeker voor België, dat na de losmaking van Nederland zijn bestaansrecht als een volwaardige staat moest gaan bewijzen en hiervoor de samenbindende stimulans van een algemeen geliefd koningschap niet kon ontberen. Om een vergaande uitholling van zijn taak te voorkomen probeerde Leopold I voor zichzelf een bevoogdende rol in de politiek veilig te stellen en tegelijkertijd over de echelons van bestuurders en notabelen heen – met oog voor de moeilijke evenwichtsoefening tussen katholieken en liberalen - populariteit bij het volk te verwerven.

Bezwaren tegen de wat eenzijdige nadruk op de vorstencorrespondenties als onderlegger van een biografie, waardoor bepaalde aspecten uit Leopolds leven onderbelicht bleven – Deneckere vermeldt zelf onder meer zijn relatie met het leger en de diplomatie, zijn sociale politiek en koloniale projecten – liggen voor de hand. De niet- of nauwelijks geïnformeerde lezer had een duidelijker historisch raamwerk best kunnen gebruiken om de reflecties van Leopold in verband te brengen met de feitelijke gebeurtenissen in die tussentijd tussen ancien régime en het moderne Europa van 1870. Een ander bezwaar is dat de figuur van Leopold wel eens op de achtergrond geraakt door al te uitvoerige en gedetailleerde verslagen van de situatie in andere landen, vooral dan in Engeland, wat de lezer die speciaal in de Belgische koning Leopold I geïnteresseerd is, zou kunnen doen doorbladeren. Ook een conclusie waarin wordt vastgesteld of en hoe de in de biografie geëtaleerde bronnen het tot nu toe bestaande beeld van Leopold hebben veranderd wordt node gemist.

Anderzijds is het onbetwistbaar dat deze op minutieus wetenschappelijk onderzoek gebaseerde biografie bijzonder grote waardering verdient, omdat hier een pakkend en breed historisch verhaal wordt gepresenteerd dat iedere lezer, zelfs als hij de ontwikkelingen in de negentiende eeuw slechts oppervlakkig kent, met plezier zal lezen, precies omdat het zo menselijk vervlochten is met correspondenties en geschreven is in een stijl en taal die heel toegankelijk is. Leopolds biografie is geen saaie geschiedenis; zij legt het zielenleven, de dagelijkse zorgen en de politieke ambities bloot van een belangrijke speler op het Europese toneel, die terzelfder tijd als regisseur wou optreden.

Voegen wij er ten slotte nog aan toe dat het werk mooi is uitgegeven. Het bevat een kleurenkatern met relevante afbeeldingen en handzame kaarten. En wie in deze vuistdikke studie de weg wel eens kwijt raakt – wie hoort nu weer bij wie en wie was de zoon, zus, tante, of aangetrouwde neef ook al weer precies – kan met een clip op de overzichtelijke genealogie achteraan in het boek makkelijk de weg terugvinden. De jurylezers hebben Deneckeres biografie van Leopold I alvast hooglijk gewaardeerd en vonden het meer dan een bekroning waard.

 

Berry Dongelmans

Rik van Gorp (voorzitter)

Henk Nellen

Zie voor een video over de laureaat:

 
Video
 

Boeken: bronnen met informatie of informatiebronnen? Druk, gedigitaliseerd of digitaal

Op 9 juni organiseerde de Maatschappij een bijeenkomst met als onderwerp ‘Het einde van de uitgeverij’.

Maatschappij-voorzitter Peter Sigmond hield daarbij het navolgende inleidende betoog waarin hij vraagtekens zet bij het voorgenomen besluit van de Koninklijke Bibliotheek om in de toekomst geen gedrukte boeken meer op te nemen in het Centraal Depot.

Maatschappij-voorzitter Peter
Sigmond

Boeken: bronnen met informatie of informatiebronnen?
Druk, gedigitaliseerd of digitaal.

Dat de digitale wereld steeds meer ingrijpt in ons leven, is geen nieuws meer, en ook niet dat de consequenties ervan nauwelijks zijn te overzien. Voor een goed begrip: ik beschouw de voortgang van de techniek als een groot goed. Op tal van terreinen levert het ons, schrijvers, onderzoekers, lezers, bijna niet meer weg te denken voordelen op. En er zijn ook vele uitnodigende vergezichten. Maar je vraagt je soms wel af of de gevolgen allemaal even goed doordacht worden in de euforie van de nieuwe mogelijkheden. Iedere medaille kent immers een keerzijde.

Op de dies van deze universiteit, op 8 februari, viel mijn oog op een vrij onooglijk, maar wel vet gedrukt artikeltje in NRC Handelsblad met de kop ‘KB is niet zo gek meer op papieren boeken’. Het was niet de woordencombinatie ‘papieren boeken’ die mijn aandacht trof. Immers, we zijn er de laatste paar jaar wel aan gewend geraakt dat boeken in twee varianten voorkomen: in druk en digitaal. Nee, de mededeling dat de KB ‘er niet meer zo gek op is’, was de nieuwswaarde. En terecht. Want de KB beheert sinds al bijna veertig jaar, sinds 1974, het nationaal depot, waarin in principe elke Nederlandse gedrukte publicatie wordt bewaard. Niet alleen boeken en tijdschriften, maar ook kranten, rapporten, proefschriften, stripboeken en overheidspublicaties vinden hun weg naar dit Depot. Een unieke, levende collectie van de Nederlandse cultuur. Een streven ook waarvan je je kunt afvragen: hoe lang houd je dat vol? Kennelijk toch niet zo lang want de collectie dreigt nu op een dood spoor te komen. ‘Alles wat niet digitaal is, bestaat niet’ zo stelt directeur Bas Savenije bout, waarbij ik dan wel hoop dat hij zich met ‘alles’ beperkt tot gedrukte informatie. Want voorlopig vervangt mijn digitale verschijning op het web mijn fysieke voorkomen nog niet. ‘Cogito, ergo sum’, denk ik maar om mezelf gerust te stellen.

In de KB is de afgelopen jaren ook hard gewerkt aan een e-depot om de aanzwellende vloed van digitale uitgaven een plek te geven. Terecht. Steeds meer uitgaven verschijnen alleen in digitale vorm en ook daarvoor is het nodig een omgeving te scheppen waarin deze e-publicaties bewaard blijven voor het nageslacht. Een helse taak om de zich voortdurend verbeterende systemen en technieken bij te houden en de bewaarsystemen daarop aan te passen.

Zo leken alle in Nederland verschijnende publicaties, ongeacht hun verschijningsvorm - digitaal of gedrukt - van een veilig onderdak verzekerd. Tot dit omineuze berichtje.

Want het voornemen van de KB heeft ver reikende consequenties. Men wil nu ook de boeken, die in druk verschijnen, alleen nog digitaal opslaan. De motivatie is helder, pragmatisch en past geheel in het huidige tijdsgewricht. ‘Het is omslachtig een boek dat anno 2012 verschijnt eerst fysiek te ontvangen, om het vervolgens zelf te moeten scannen’, zo wordt in het artikel gesteld. Het lijkt logisch en onschuldig. Efficiënt en vooral kostenbesparend. En het lost waarschijnlijk ook een niet in de argumentatie genoemd opslagprobleem van fysieke boeken op.

Maar wie even doordenkt, ziet dat het om een ingrijpende en principiële breuk met het tot dan toe gehanteerde beleid gaat. Want wat er gebeurt, is dat het originele fysieke boek niet meer in zijn originele vorm wordt bewaard maar als een digitale kopie, d.w.z. het fysieke boek dat wij in de winkel kopen, wordt niet meer in het nationaal depot bewaard. Wat is daar mis mee?

Ben ik soms tegen gedigitaliseerde boeken? Nee, zeker niet. De voordelen van digitale teksten ondervind ik dagelijks. Informatie van over de gehele wereld staat mij via mijn pc ter beschikking. Een enorm efficiencyvoordeel. Het ontslaat mij van veel gereis naar afgelegen archiefdepots en bibliotheken. Het werk van de DBNL en andere digitaliseringsinstituten is ongemeen lovenswaardig. Digitalisering van kennis en informatie en beschikbaarstelling daarvan is een wezenlijk onderdeel van onze zogenaamde informatiemaatschappij. Democratisering van de kennis. Goed dus.

Maar... wanneer ik gedigitaliseerde boeken vanachter mijn computer raadpleeg, gebruik ik het boek op een bepaalde manier. Ik ben op dat moment uitsluitend geënteresseerd in de informatie die zich in het boek bevindt. In de inhoud. In de fysieke vorm van de publicatie ben ik op dat moment minder geënteresseerd. Die is totaal veranderd. Vervangt daarmee de digitale versie van een boek het gedrukte boek? Is een gedigitaliseerd boek wel hetzelfde als een gedrukt boek? De KB lijkt er van uit te gaan dat het om hetzelfde gaat. Maar is dat wel zo?

 

Laten we het (voorgenomen) besluit van de KB eens naar een ander terrein verplaatsen. Ik geef toe, het is een absurde vergelijking en vergelijkingen gaan nooit op. Stel: Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum maakt bekend dat hij geen fysieke voorwerpen meer in de collectie op wil nemen waarvan ook een digitaal beeld bestaat. De reden is duidelijk. ‘Alles wat niet digitaal is, bestaat niet’. Kostenbesparing en efficiency zijn er mee gediend. En het digitale beeld biedt vele mogelijkheden die het origineel niet bieden kan. De fysieke voorwerpen zijn daarmee overbodig.

Er zou met zekerheid een storm van protest zijn opgegaan. En terecht. Waarom zou er in dat geval wel en in het geval van de KB nu geen protest opgaan? Omdat het voor iedereen duidelijk is dat een origineel fysiek object, een schilderij, prent, foto of voorwerp iets anders is dan een digitale kopie ervan. (het gaat in musea niet alleen om unica) Als Pijbes’ mededeling zou zijn: wij gaan de 1.5 miljoen voorwerpen, schilderijen, prenten, foto’s en tekeningen in de collectie van het Rijksmuseum met terugwerkende kracht digitaliseren zodat iedereen digitaal over de informatie die de voorwerpen en afbeeldingen in zich dragen kan beschikken, zou deze mededeling daarentegen met gejuich zijn onthaald.

 

Maar zoals gezegd, in dit geval is niet de digitalisering van boeken het punt. Het punt is dat in de visie van de KB het gedrukte boek niet langer bewaard behoeft te worden als uiting van een cultuur maar vervangen wordt door een digitale versie. Een moderne fotokopie. In mijn optiek wordt dan een denkfout gemaakt. De inhoud kan hetzelfde zijn, de vorm verschilt wezenlijk. En daarin verschilt een gedrukt boek essentieel van een gedigitaliseerde versie ervan.

We hebben het hier over vorm en inhoud.

Een boek, een drukwerk is een fysiek object dat met alles erop en eraan als geheel een informatiebron is. Door de uitgever is bij de tekst een lettertype gekozen, een papiersoort, een formaat, een band, een lay-out, een omslag, een bepaalde druktechniek. Allemaal zaken die de tekst beter tot hun recht moeten laten komen, die bij de lezer een bepaald gevoel moeten oproepen die de tekst moet versterken. Zoals de filmmuziek de beelden van een film versterken. De uiterlijke verschijning en de presentatie van de tekst zijn, net als de inhoud overigens, tijd bepaald, weerspiegelingen van een cultuur.

Je kunt je natuurlijk afvragen of de vorm er voldoende toe doet, en in de huidige informatiemaatschappij wordt er misschien weinig waarde aan gehecht. Ik zou zeggen, laat volgende generaties dat maar uitmaken.

Op dezelfde opengeslagen pagina van NRC Handelsblad staat over 8 kolommen (het KB bericht telt twee kolommen) onder de titel ‘Bijzondere collecties van de Universiteit van Amsterdam tonen de canon van de typografie in 127 boeken, van de vijftiende eeuw tot en met nu. De typograaf is een bevrijder van het woord een bespreking door Kester Freriks van de tentoonstelling ‘The Printed Book: a visual History’.

Voor de goede orde: het verhaal van Kester Freriks is een bespreking van een tentoonstelling waar de boeken fysiek te zien waren. Zou Kester Freriks een dergelijke bespreking ook gemaakt kunnen hebben van een mooi geëllustreerde publicatie over vijf eeuwen boekdrukkunst? Waarschijnlijk wel. Of over een digitale uitgave over hetzelfde onderwerp? Waarschijnlijk ook. En misschien zou hij daar in bepaalde opzichten nog wel enthousiaster over geweest zijn. Want een digitale uitgave kan pagina’s tot in wonderbaarlijke details uitvergroten, metadata en links verstrekken die in een gedrukte uitgave onmogelijk zijn. Maar in dit geval maakte Freriks geen boekbespreking maar een bespreking van een tentoonstelling waar originele boeken werden getoond. In dit geval is zijn enthousiasme ontleend aan de vorm van het boek, aan het boek als fysiek object. Het zien ervan maakte hem al enthousiast.

 

Een e-book is natuurlijk ook een product van een cultuur. En het is daarom ook van belang dat het voor het nageslacht bewaard blijft. Hoe primitief de huidige e-boeken ook nog mogen zijn. Het e-boek is nu immers vaak niet meer dan een gedigitaliseerde versie van een gedrukt boek. Maar dat is nog maar het begin. Er komen steeds meer e-publicaties waar geen gedrukte versie van op de markt komt. In e-publicaties zal veel meer gebruik gemaakt gaan worden van de digitale mogelijkheden. En die e-publicaties zijn op hun beurt in het geheel niet te representeren in een gedrukte versie. Naast de vorm zal ook de inhoud van een gedrukte publicatie en van een digitale publicatie steeds verder uiteen gaan lopen.

 

Wat wil ik hiermee zeggen? De digitale werkelijkheid en de fysieke werkelijkheid zijn niet identiek. Een gedrukt boek en een digitaal boek, een e-book, zijn niet identiek. We hebben met twee te onderscheiden fenomenen te maken. Ze zijn niet onderling uitwisselbaar. Hoewel een belangrijk deel van de informatie die ze leveren, identiek kan zijn. Nog wel. De vorm verschilt volledig. Een gedrukt boek digitaliseren levert net zo goed iets anders op als een e-boek in druk doen verschijnen. Elk heeft, althans voor zo ver ik dat nu kan overzien, op dit moment zijn eigen bestaansrecht.

Als gedrukte boeken dus niet meer in hun originele vorm in het KB depot bewaard worden, betekent dat een bepaald type publicatie - het gedrukte boek - dat nog wel geproduceerd en gebruikt wordt, niet langer bewaard zou worden voor het nageslacht. Het (voorgenomen) besluit van de KB is overigens ook een impliciete erkenning van de gedachte dat het gedrukte boek kennelijk nog wel een tijdje zal blijven voortbestaan. Als de verwachting was dat het gedrukte boek binnen afzienbare tijd geheel verdrongen/vervangen zou worden door het digitale boek, zou deze ingrijpende maatregel niet nodig zijn. Het zou dan slechts een kwestie van tijd zijn of alle boeken zouden vanzelf door de uitgever of auteur in digitale vorm aan het publiek en dus aan de KB ter bewaring aangeboden worden. Dat zou heel goed kunnen. Zoals de blokboeken op een gegeven moment zijn vervangen door boeken die op een drukpers werden vervaardigd. En nu niet meer gemaakt worden. Maar kennelijk is dat niet de verwachting. En als het gedrukte boek in afgeslankte vorm waarschijnlijk, wel blijft voortbestaan, dan is er toch veel voor te zeggen die weinige gedrukte boeken ook maar te blijven verzamelen. De omvang en de kostenfactor die met bewaren gemoeid zijn, zullen dan vanzelf overzienbaar worden.

 

Uit het voorgaande zou misschien de indruk kunnen ontstaan dat ik uiterst kritisch ben over de KB. Dat is niet het geval. Ik denk dat wij ons zeer gelukkig mogen prijzen met ‘onze’ KB en met de rol die de KB nationaal en internationaal speelt in het bibliotheekwezen en de informatisering. Ik ga er ook van uit dat de KB niet zonder meer tot haar voornemen zal overgaan en dat nieuwe criteria zullen worden ontwikkeld.

De Koninklijke Bibliotheek heeft als doelstelling iedereen toegang te geven tot kennis en cultuur van het heden en verleden van Nederland en levert hoogwaardige diensten voor onderzoek, studie en ... cultuurbeleving! Dat schept vertrouwen en verplichtingen!

 

Ik kom tot het slot van mijn betoog waarin ik duidelijk heb willen maken dat een gedrukt boek en een gedigitaliseerd boek niet identiek, niet onderling inwisselbaar zijn. Net zo min als een e-book met zijn vele mogelijkheden niet identiek is aan een gedrukt boek. In de besluitvorming ten aanzien van het bewaarbeleid dient dat besef een factor te zijn bij de beslissing al of niet tot bewaring over te gaan.

Ik kan mij voorstellen dat er redenen zijn om tot een herijking van het verzamelbeleid te komen. Alles verzamelen was misschien van meet af aan al een erg ambitieuze gedachten.

Zou een openbaar debat over bewaarcriteria voor Nederlandse gedrukte publicaties niet op zijn plaats zijn? Want dat er een aardverschuiving gaande is, is duidelijk. Literatuur wel en informatieve boeken niet? Naslagwerken? Schoolboeken? Alleen eerste drukken? Hoe om te gaan met oeuvres? Grijze literatuur?

Maar misschien zijn we nog niet zo ver en is een samenwerking met universiteitsbibliotheken denkbaar waarbij de lasten onderling gedeeld worden een optie. En misschien ook zal het e-boek zo’n vlucht nemen dat het probleem zichzelf oplost. In dat geval hoop ik dat juist het laatste gedrukte boek nog als fysiek boek een plek krijgt in het Centraal Depot.

 

Wat betekent dit alles voor de auteurs, uitgevers, boekhandelaren, de lezers. Geeft het meer mogelijkheden - ik denk van wel - of juist minder, krijgen we gespecialiseerde e-boekenschrijvers en e-boekuitgevers naast meer traditionele auteurs en uitgevers. Komt er onderscheid naar functie en genre?

Heeft het gedrukte boek zijn langste tijd gehad? In ieder geval staat zoals gezegd, het e-book nu nog in de kinderschoenen. Het is zoals gezegd nu vaak niet meer dan een platte digitale versie van een gedrukt boek. Zonder van de specifieke mogelijkheden van de digitale wereld gebruik te maken. Wie daarover zijn gedachten de vrije loop laat, ziet onmiddellijk vele mogelijkheden. Digitale boeken die naast tekst bewegend beeld bevatten, waar in plaats van voetnoten links naar bestaande of door de uitgever gecreëerde databases zijn opgenomen. Mengvormen tussen gedrukte en digitale uitgaven. Wie zal het zeggen.

Staat het voortbestaan van de uitgeverij op het spel? Het lijkt me niet. En de boekhandel, die tot nu toe altijd de link was tussen uitgever en publiek? Wat wil het publiek? De hoeveelheid informatie - met en zonder betekenis - die wordt uitgewisseld neemt alleen maar toe. En daarmee ook de verscheidenheid in vormen waarin die ons, gebruikers, bereikt. De noodzaak om informatie te selecteren, van keurmerken te voorzien zal daarmee ook groeien. Auteur en uitgever lijken mij daarbij onmisbare schakels. En wellicht blijft er dan ook nog plaatsje over voor het boek in gedrukte vorm, als object, als voorwerp, als artistieke uiting van een cultuur. Ik ben benieuwd wat de discussie gaat opleveren.

 

Dankwoord van Merijn de Boer uitgesproken na uitreiking van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs op 9 juni 2012.

Geachte leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, beste vrienden, collega's, familie en overige aanwezigen,

 

Het begin van de lente viel dit jaar samen met een bijzonder telefoontje, waar ik sindsdien met regelmaat en vreugde aan terugdenk. Ik was met mijn collega's aan het lunchen op de eerste verdieping van uitgeverij Van Oorschot aan de Herengracht in Amsterdam. Door het raam was te zien hoe tussen de nog kale takken van de bomen een groene waas kwam te hangen, als signaal dat de winter voorbij was en dat een nieuw jaargetijde zich aandiende.

De telefoon ging. Vlak daarvoor nam ik een hap van mijn boterham, waardoor ik met mijn hand al aan de hoorn wachtte met opnemen tot ik was uitgekauwd. ‘Ik heb een heuglijke mededeling voor u,’ zei een stem aan de andere kant van de lijn. Volkomen onverwachte woorden waren dat, vooral als u bedenkt dat ik de zoveelste boekhandelaar verwachtte die een vraag zou stellen in de trant van: ‘Ik heb hier een getrouwde klant in de winkel en die vraagt zich af in welk deel van het Verzameld werk van Tsjechov het verhaal “Een huwelijk uit berekening staat”. In zo'n geval hoefde ik die vraag alleen maar door te spelen aan Wouter van Oorschot, die immers de hele inhoudsopgave van Tsjechov uit zijn hoofd kent. Of er werd gebeld door een Reviaan die wilde weten of het derde deel van de Reve-biografie nou nog ging verschijnen. Door een overnauwkeurige lezer die meende dat in die en die roman ergens ‘hun’ stond, waar het ‘hen’ moest zijn. Wat dan vervolgens vaak niet het geval bleek. Door een meisje van De Wereld Draait Door dat een elevatorpitch over de boeken in onze najaarsaanbieding wilde, en als je dan over het eerste boek begon, dan had ze alweer opgehangen. Door iemand uit een callcentrum die vroeg of ze kon worden doorverbonden met ‘de afdeling marketing en sales’, terwijl het nu juist zo prettig is dat we die bij Van Oorschot helemaal niet hebben. Door een Bulgaarse die in moeilijk verstaanbaar Engels vroeg of ze twee gedichten van Vasalis mocht vertalen. Door een gepensioneerde boekhouder, die wilde weten wanneer we zijn memoires gingen uitgeven, die hij ons zes maanden geleden had toegestuurd. Door iemand die zich afvroeg of we de gedichten van ‘Rembo’ nog op voorraad hadden. Of, om een laatste voorbeeld te geven, door een dementerend iemand die wilde vertellen dat hij of zij Geert van Oorschot nog had gekend.

Maar in plaats van dit alles kreeg ik Berry Dongelmans aan de lijn, de secretaris van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Nadat hij me had verteld dat aan mij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs was toegekend, noemde hij me twee data, waarbij hij me op het hart drukte die niet te vergeten. Ik herhaalde ze, beloofde die data vrij te houden en toen ik had opgehangen, was ik ze alweer vergeten. Die droomtoestand, waarin de toekenning nog niet helemaal tot mij doordrong, duurde nog enige dagen voort.

Een week later, op het moment dat het persbericht over de drie prijzen was verstuurd en er berichten in de media verschenen, was ik aan de kust van Ghana, in een gebied waar ik geen telefoonbereik had. In een gebied ook, dat het decor vormde voor De zwarte met het witte hart, het boek van Arthur Japin waarvoor hij veertien jaar geleden deze zelfde prijs kreeg als ik nu vandaag. Pas aan dat Ghanese strand, met uitzicht op de Atlantische Oceaan, waar niemand mij kon bereiken, begon ik enigszins te beseffen wat een geweldige blijk van erkenning mij ten deel was gevallen.

Erkenning, of liever gezegd waardering, heeft verschillende verschijningsvormen. Ten eerste is er de literaire kritiek. Hoewel George Orwell me in een overtuigend essay heeft doen geloven dat het gros van de critici zelden het boek helemaal leest dat er besproken moet worden, en niet anders kan dan de kolommen vullen met gemeenplaatsen en gefingeerde meningen, spel ik al jarenlang wekelijks alle boekenbijlagen uit. Toen Nestvlieders uitkwam, werd dat alleen maar erger natuurlijk. En ik heb mezelf het afgelopen half jaar met enige regelmaat op zaterdagochtend ongewassen in een supermarkt aangetroffen, om daar de ene na de andere krant uit model te bladeren.

Min of meer exact zoals ik het net beschrijf staat het in De sandwich van A.F.Th. van der Heijden, en met een schok van herkenning las ik daarin dan ook de volgende alinea:

 

Ik was met Margerie op weg naar de binnenstad, om te doen wat ik sinds het verschijnen van mijn boek elke zaterdagmiddag deed: aan een kiosk kranten en weekbladen kopen, en in een coffeeshop stompzinnig de weekendbijlagen openpellen en doorvlooien op nagekomen recensies - al werd het opduiken van nog een bespreking, zoveel maanden na de publikatie, steeds onwaarschijnlijker. Zwarte poten kreeg je ervan, meer niet.

 

Alleen de naam ‘Margerie’ zou vervangen moeten worden door die van Sabrina - verder is het in alles een nauwkeurige weergave van de zaterdagen uit de afgelopen maanden, sinds de verschijning van Nestvlieders in september tot halverwege januari 2012, toen er tot mijn verrassing écht een ‘nagekomen’ recensie in de krant stond.

Maar waardering kan ook uit onverwachte hoek komen. Zo was er de 92-jarige oma van een vriend van mij die aan hem naar aanleiding van Nestvlieders é-mailde nota bene: ‘Voor een beginnend schrijver is dat vriendje van je lang niet slecht.’

Ook verrassend vond ik het dat er naar mijn boek werd verwezen door een zestienjarig meisje uit Kapelle, op een scholierenforum op internet. Pubers reageerden daarin op de vraag: ‘Wat gebeurt er, behalve dat je gaat stinken, als je nooit zou douchen?’ Iemand die zichzelf Crea noemde, antwoordde:

 

Je raakt je baan kwijt, je gezin ook als zij wel badderen, je huis als de buren gaan klagen en je wordt eenzaam.

 

Het zestienjarige meisje uit Kapelle noemde mijn verhaal ‘Balthasar Tak’ en schreef:

 

In een boek dat ik heb gelezen krijgt die man overal schimmel. Tussen zijn tenen, gewoon op zijn lijf omdat hij toevallig wel eens met water in contact komt en met die droogte ontstaat dat ofzo. Hij heeft ook heel erg last van roos, zijn geslachtsdeel ziet r ook niet meer zo fris uit, poriën gaan verstopt zitten en hij heeft last van puistjes, overal loopt pus. Toen ik het boek las kreeg ik een beetje het idee van een levende hoop eten aangetast door schimmels met hier en daar een plukje haar.

 

Dat laatste is een mooi beeld, dat moet gezegd worden.

Later kwam ze er nog op terug:


oja, ik denk dat je ook wel een beetje gaat stinken. hij stonk in ieder geval wel. en had ook nog last van diaree en een longontsteking, maar ik weet niet of dat met dat niet douchen te maken had.

 

Het fascineert me tot de dag van vandaag dat er in Zeeland een zestienjarig meisje bestaat, dat mijn boek heeft gekocht, een verhalenbundel van een volstrekt onbekende debuterende schrijver, dat ook nog eens heeft gelezen blijkbaar en daar vervolgens naar verwijst om aan leeftijdgenoten lessen te geven in hygiëne en lichamelijke verzorging.

Douche vooral regelmatig, schrijft ze eigenlijk, anders word je net zo vies als het personage Balthasar Tak.

Nu had ik geen CDA-achtig moralisme op het oog bij het schrijven van dit verhaal, maar dat mede door mijn toedoen een paar zestienjarige jongens en meisjes wat vaker onder de douche stappen, vind ik toch een mooie vorm van bijvangst.

Maar ook de waardering van dit Zeeuwse meisje valt natuurlijk in het niet bij het ontvangen van een zo bijzondere prijs voor mijn debuut. Ik voelde mij begrepen door het juryrapport, en dan in het bijzonder door twee opmerkingen. Ten eerste door de constatering van de jury dat mijn personages niet op een vanzelfsprekende manier meedoen in de samenleving - en dat dat mijn belangstelling verklaart voor het werk van Voskuil, Jacques Gans en Kellendonk.

Ten tweede doordat ze een van mijn lievelingszinnen uit Nestvlieders citeren. Die luidt:

 

Ik liep een half uur langs de branding en kwam alleen twee vrouwen tegen die met lange vesten aan, hun armen naar de hemel spreidden en, terwijl de regen zich op hun gelukzalige gezichten stortte, steeds maar weer ‘Leven!’ riepen, met een hoofdletter.

 

Vervolgens schrijft de jury: ‘Intussen hebben de personages van De Boer daar de grootst mogelijke moeite mee.’ Ik vond dat een treffend inzicht, waarvoor ik de jury dankbaar ben.

Ik kom er steeds meer achter dat goed schrijven voor een belangrijk deel te maken heeft met zelfvertrouwen. De al eerder genoemde Van der Heijden vind ik een schrijver in wiens werk je dat zelfvertrouwen heel duidelijk ziet. Niet zozeer in de ambitie die spreekt uit de omvang van zijn romanprojecten, maar eerder in de overtuiging die schuilt in iedere zin die hij opschrijft.

Mulisch is natuurlijk ook een schrijver die men snel associeert met zelfvertrouwen. En toch vind ik Mulisch eerder een schrijver die het zelfvertrouwen buiten zijn werk etaleerde, niet zozeer daarin.

Jeroen Brouwers heeft in een mooi essay over hem geschreven over de verbazing van Mulisch toen Brouwers hem vertelde dat hij niet genoeg zelfvertrouwen had om aan een boek te beginnen. Dat vond Mulisch onzin. Pak gewoon je pen, zei hij, en begin met de zin: ‘Ik stond laatst voor het raam...’

Waar ik naartoe wil, is de vaststelling dat een schrijver alleen maar beter kan worden door in zichzelf te geloven - tenminste als daar tegelijkertijd een natuurlijke zelfkritische rem op zit. ‘Als je [geen zelfvertrouwen] hebt, wordt het nooit wat in de kunst,’ zegt een personage van Mulisch in Siegfried. Het ontvangen van de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2012 stimuleert in dat geloof in eigen werk - en daar ben ik de jury heel dankbaar voor.

 

Dank u wel.

 

Dankwoord van Frank Willaert uitgesproken na uitreiking van de Kruyskamp-prijs op 9 juni 2012

Het verhaal van onze editie van Hadewijchs lyriek begon in 2003, toen de Stichting Nederlandse Klassieken aan Veerle Fraeters en mijzelf de opdracht gaf de poëzie van de Brabantse mystica uit te geven in de Deltareeks, en wel op zo'n wijze dat de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek over deze moeilijke literatuur voor een breed publiek toegankelijk werd gemaakt. Vrij vlug waren Veerle en ik het erover eens dat we de teksten die in de Nederlandse literatuurgeschiedenis als Strofische Gedichten bekend stonden, Liederen zouden noemen, omdat we overtuigd waren van het gelijk van Louis Grijp die in 1992 al voor vijf van Hadewijchs gedichten een melodie had aangewezen. Verder dachten we een vertaling van de teksten te leveren en een doorlopend commentaar achteraan in het boek. In de zes jaren dat we aan het boek hebben gewerkt, is dit oorspronkelijke concept echter herhaalde malen bijgestuurd, zodat de kwaliteiten die tot de bekroning hebben bijgedragen in een niet geringe mate mede te danken zijn aan degenen die ons tijdens deze lange weg hebben begeleid en geadviseerd.

Van hen moet hier zeker de Utrechtse hoogleraar Paul Wackers worden genoemd, die ons vanwege de Stichting Nederlandse Klassieken als wetenschappelijke adviseur was toegewezen, en die zich een zeer gedreven begeleider toonde, ook toen de Stichting de Deltareeks ten grave had gedragen. Samen met zijn vrouw Marja Quik heeft hij een eerste versie van het manuscript meticuleus doorgenomen en talloze verbeteringen voorgesteld. Drie zangeressen zouden aanvankelijk de vijf door Louis Grijp gereconstrueerde melodieën zingen, maar toen in 2007 het plan rijpte om Louis te vragen naar nieuwe zangwijzen te zoeken en hij met de melodieën van negentien liederen terugkwam, werd hun rol veel groter en veranderde het boek geleidelijk in een multimediaal project met liefst vier cd's. Ook de opzet van het boek veranderde grondig, doordat de melodieën en hun reconstructie nu veel meer aandacht kregen en de rol van Louis Grijp uitgroeide tot die van volwaardig derde editeur. Al deze wijzigingen en vele andere die ik hier niet kan noemen, kwamen niet in de laatste plaats tot stand onder impuls van onze uitgever Patrick Everard, die telkens weer uit het hoge Noorden naar Antwerpen afreisde om ons, soms tot onze wanhoop, met nieuwe voorstellen te bestoken, zodat het boek onophoudelijk veranderde maar - dat moesten we hem telkens weer nageven - ook steeds beter werd. Aan Patrick is het ook te danken dat Hannie Pijnappels zich over de vormgeving heeft ontfermd, die niet alleen op een subtiele wijze aan de lay-out van middeleeuwse commentaren herinnert, maar tevens een voor de lezer moeiteloos va-et-vient mogelijk maakt tussen Hadewijchs tekst, onze vertaling en het commentaar. Zij allen, en ook andere collega's van het Ruusbroecgenootschap en uit de wereld van de musicologie die ons steeds weer van commentaar en advies voorzagen, hebben hun eigen, onvervreemdbaar aandeel in het succes van ons - op het eerste gezicht slechts - moeilijke boek.

Want succes heeft het boek zeker gehad. Het haalde moeiteloos en na één jaar een tweede druk; gereputeerde buitenlandse uitgeverijen uit Spanje, Frankrijk, Duitsland, Hongarije, hebben de rechten aangekocht en bereiden vertalingen voor, vanuit de Verenigde Staten en China is er belangstelling. Onze doelstelling om een boek te maken dat een breed lezerspubliek kan aanspreken, hebben we blijkbaar gehaald.

Maar geldt dit ook voor onze tweede doelstelling: hebben we ook een wetenschappelijk boek gemaakt? Welnu, boekpublicaties scoren in het huidige onderzoeksklimaat niet erg hoog in de jacht naar internationale excellentie, en onder de verschillende soorten boeken scoren tekstedities nog het slechtst. Neem bijvoorbeeld het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Humane en Sociale Wetenschappen, dat de wetenschappelijke publicaties van Vlaamse onderzoekers van de afgelopen tien jaar inventariseert: wie de betrokken website consulteert, zal merken dat onze editie daar niet is opgenomen. Ze is immers niet verschenen bij een uitgeverij die als wetenschappelijk geboekstaafd staat op een in Noorwegen vervaardigde lijst (dit is geen grap). En ons boek mag dan begeleid geweest zijn door enkele van de meest voortreffelijke kenners van de Middelnederlandse literatuur, de middeleeuwse mystiek en de middeleeuwse muziek, het mag vele nieuwe inzichten bevatten zowel over de muziek als over intertekstualiteit, poëtica en mystieke leer, het is - o doodzonde tegen de stenen tafels van de ware wetenschap - niet aan de geijkte procedures van het peer review onderworpen geweest. De vraag is ook of dat wel de moeite waard zou zijn, aangezien een editie als deze, waaraan zes jaren is gewerkt, zou vallen in een categorie waaraan het gewicht 2 is gehecht, dit wil zeggen tweemaal het gewicht van één artikel in een wetenschappelijk, peer reviewed tijdschrift.

Jonge wetenschappers die vooruit willen komen, zouden dan ook wel gek zijn, als ze hun kostbare onderzoekstijd investeren in een dergelijk projecten. En daarmee dreigt op korte termijn een essentiële troef van de geesteswetenschappen te worden ingeruild voor de illusie van de universele meetbaarheid: de verbinding - en ik citeer nu uit het juryrapport - "van grote wetenschappelijkheid en even grote toegankelijkheid", en daarmee de mogelijkheid om een brug te slaan tussen universiteit en gemeenschap, de ultieme legitimatie voor onze studie van zulke onrendabele en toch belangrijke onderwerpen als middeleeuwen, literatuur en mystiek.

Daarom zijn we zo blij met deze prijs, en dankbaar voor deze blijk van waardering vanwege echte deskundigen die tegelijk ook echte lezers zijn. En ongetwijfeld ligt hier ook een belangrijke rol voor een institutie als de Maatschappij: erover helpen te waken dat in een wereld waar het tellen het denken lijkt te verdringen, meten toch niet met weten wordt verward.

 

Dankwoord van Thomas von der Dunk uitgesproken na uitreiking van de Dr. Wijnaendts Francken-prijs op 9 juni 2012.

Geachte aanwezigen,

Een van de directe gevolgen van het ontvangen van een prijs is dat je zo te weten komt dat hij bestaat. De andere mogelijkheid daartoe is om onverwachts gevraagd te worden om in de jury zitting te nemen, zoals mij recent nog overkwam. Niet, voor de duidelijkheid, dat beide opties zich in mijn geval zo vaak voordoen - noch het toekennen, noch het ontvangen van een prijs. Dat laatste is vandaag zelfs pas voor de tweede maal, en opnieuw voor een prijs van welks bestaan ik voordien niet wist.

Als je niet van het bestaan van een prijs op de hoogte bent, ben je meestal ook verrast als je hem krijgt, en, inderdaad, dat gold ook voor mij. Nu vertoef ik, zoals ik U onderwijl hopelijk duidelijk heb gemaakt, niet zo frequent in het prijzen-circuit, maar ik heb intussen begrepen dat ik met de Wijnaendts Francken-prijs op illustere voorgangers kan bogen. Daaronder bevinden zich buiten Karel van het Reve, wiens laatste deel van zijn verzameld werk ik afgelopen najaar in de Rode Hoed te Amsterdam ten doop mocht helpen houden, zeker een half dozijn cultuurhistorische vakbroeders die het - al dan niet nadien - tot een professoraat hebben gebracht, waaronder in 1939 de latere Utrechtse hoogleraar architectuurgeschiedenis Murk Daniel Ozinga.

Ik heb overigens niet de illusie dat de toekenning vandaag ook mij in dat opzicht aan een beslissende carrièresprong voorwaarts zal helpen, zo ik dat al zou ambiëren, want ik heb in het verleden voldoende van het universitaire bedrijf gezien - en zie dat als gastonderzoeker bij Europese Studies in Amsterdam nu nog - om een officieel wetenschappelijk bestaan vanwege het heden ten dage hoog-bureaucratische gehalte ervan niet onverdeeld aantrekkelijk te vinden. Die feitelijke afstand tot het academische circuit verklaart vast ook, waarom ik door de mededeling van de toekenning van deze mij onbekende prijs aangenaam verrast was. Overigens, wat mijn onwetendheid betreft: een dergelijke pijnlijke verlegenheid overkomt mij in algemene zin wel vaker.

Ik verdien immers, sinds ik in 2002 de Alma Mater na jaren van tijdelijke baantjes als ‘moeilijk inpasbaar’ - ik gebruik maar eventjes de termen waarmee ik ooit voor de militaire dienst ben afgekeurd - ik verdien, sinds ik dus de universiteit als moeilijk inpasbaar ben uitgerold, mijn brood deels met optredens in radio- en tv-programma's waarvan ik tot dat moment nog ooit heb gehoord (en U vermoedelijk evenmin). Nagenoeg standaard wordt mij dan, als ik voor deelname benaderd wordt, gevraagd: U kent vast wel ons programma en onze presentator, en dan moet ik bijna altijd - tenminste tegenover mijzelf - beschaamd erkennen dat dat niet zo is. Om mijn eigen onwetendheid niet al te pijnlijk te laten zijn, maak ik dan wel eens wat omtrekkende bewegingen om op bedekte wijze achter aard en inhoud te komen, in de trant van: ja, van die naam heb ik wel eens gehoord, maar het staat mij even niet meer zo helder voor de geest. U kent dat vast ook - of niet.

Dat gold dus eveneens voor deze prijs. Mijn verrassing was niet alleen des te groter, maar ook des te aangenamer, toen ik vernam waarvoor ik deze ontving. Niet, zoals mijn eerste spontane reactie was, voor een van mijn bundels met politieke essays, die ik niet zonder enige literaire pretentie ten papiere breng - een telefoontje van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde deed zulks aanvankelijk vermoeden. Nee, de prijs bleek nog een wetenschappelijke studie van mijn hand te betreffen, uit een levensfase die ik althans wat mijn broodwinning aangaat wel definitief achter mij gelaten zal hebben. Want, laten we er niet omheen draaien, als het om een universitaire loopbaan gaat, dan is die in mijn geval natuurlijk gewoon mislukt.

Dat zal ongetwijfeld voor een groot deel aan mij liggen, niet alleen omdat ik inmiddels te oud en te eigenwijs ben om nog even om een boodschap gestuurd te worden, maar ook omdat ik - als gevolg daarvan - altijd een ander boek schrijf als waarvoor ik eerder aangenomen ben; dat is ook op het hier bekroonde van toepassing. Meestal kom ik niet verder dan de inleiding van wat ik eigenlijk had willen doen; dat gold al voor mijn doctoraalscriptie en mijn dissertatie, en het geldt ook voor Een Hollands Heiligdom. Bovendien was ik in dit laatste geval met het eindresultaat zelf niet geheel content, omdat het toch meer een bundel dan een boek is geworden: ik heb een aantal eerder gepubliceerde artikelen achter elkaar gezet en aan elkaar geschreven. Ik concludeer wel met genoegen dat dit in de ogen van de jury kennelijk overtuigender is gelukt dan indertijd in mijn eigen.

Of ik daar erg rouwig om ben - ik bedoel nu de mislukking van mijn universitaire loopbaan - is een tweede, maar ik wil niet verhelen dat het mij juist daarom deugt doet dat ik blijkens de toekenning van de Wijnaendts Franckenprijs kennelijk toch niet geheel in vakkringen vergeten ben. Eenstemeer daar het vandaag gefêteerde boek allang niet meer verkrijgbaar is - wegens gering verkoopsucces is, zoals heden ten dage te vaak gangbaar, de resterende oplage al binnen twee jaar in de uitverkoop gedaan, wat dat betreft wel symbolisch voor mijn academische bestaan als zodanig. Erg veel geciteerd wordt ik namelijk niet, ook waar dat logischerwijze wel zou moeten (ik geef het maar eventjes mee) - want uiteraard kijk ik bij elk nieuw boek of artikel op mijn onderzoeksterrein dat mij onder ogen komt, of ik voldoende in literatuurlijst en notenapparaat wordt genoemd. Dat doet volgens mij overigens iedere wetenschapper, al zullen de meesten - ook van U hier - dat niet ongegeneerd als vanzelfsprekend durven erkennen. Maar ik heb in dat opzicht toch niet meer zoveel te verliezen, en mijn huidige broodwinning dank ik sowieso aan een toegenomen vermogen tot schaamteloosheid.

Op een pikante manier kruist overigens juist in Een Hollands Heiligdom mijn wetenschappelijk werk mijn op zulke schaamteloosheid gebaseerde journalistieke opereren in de politieke actualiteit, omdat ik met een van de in dit boek bestudeerde objecten inmiddels een bijzondere persoonlijk relatie ontwikkeld heb. Gewijd aan de architectonische eenwording van Nederland in relatie tot de introductie van het neoclassicisme en de opkomst van de patriottenbeweging op het eind van de achttiende eeuw, is de politiek-historische strekking van mijn verhaal in vakkringen niet onomstreden. Zelf zat ik aanvankelijk voor de houdbaarheid van mijn these speciaal met één gebouw in mijn maag: het stilistisch indertijd ultramoderne Paviljoen Welgelegen van de orangistische Britse bankier Henry Hope uit 1786.

Ruim twee eeuwen later zat dit gebouw, inmiddels tot Provinciehuis van Noord-Holland getransformeerd, omgekeerd ernstig met mij in zijn maag. Een en ander heeft zelfs - met foto van het gebouw en van mij - de voorpagina's van de landelijke dagbladen gehaald. Ook om die reden was ik aangenaam verrast dat de verlichte jury-autoriteiten in Leiden, anders dan de provinciaalse provinciale in Haarlem, er niet alleen geen aanstoot aan hebben genomen dat ik een omstreden politiek oordeel uitspreek, maar dat zelfs hebben beloond, ook al betrof het, wel zo veilig, niet hedendaagse financiële goochelaars en Haagse opportunisten, maar een reeds lang geleden in ballingschap overleden bankier. Ik beschouw dat maar als een hoogst welkome academische tik op bestuurlijke vingers c.q. lange tenen, en ben alleen al daarom de jury zeer erkentelijk voor de toekenning van deze prijs.

 

Literaire avond met prijswinnende auteurs

Ontmoetliterair talent van Nederland tijdens een avond van voordracht, interview en gesprek. Op donderdagavond 19 april 2012 presenteert de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde de recent door haar bekroonde auteurs.

 

Bekroond talent

Begin maart heeft de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde prijzen toegekend aan Merijn de Boer (beste prozadebuut), aan Thomas von der Dunk (beste cultuurhistorische studie) en aan Veerle Fraeters, Frank Willaert en Louis Grijp (beste teksteditie). Uitgebreide informatie hierover vindt u terug op de website van de Universitaire Bibliotheken Leiden.

 

Op donderdag 19 april - halverwege de periode tussen toekenning en uitreiking - organiseert de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (MNL), in samenwerking met de Universitaire Bibliotheken Leiden, een literaire avond waar u nader kennis kunt maken met de auteurs en hun prijswinnende werken. Dit evenement vindt plaats in de Universiteitsbibliotheek Leiden. De prijsuitreiking zelf zal plaatsvinden op zaterdag 9 juni 2012, tijdens het openbare gedeelte van de jaarvergadering van de MNL.

 

Programma Literaire Avond

.
19.15 uurZaal open (Vergaderzaal Universiteitsbibliotheek Leiden, Witte Singel 27)
19.30 uurWelkom door Peter Sigmond, voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
  
19.45 uurVoordracht en interview Nestvlieders
 Merijn de Boer wint de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs voor zijn verhalenbundel Nestvlieders (2011). De auteur leest enkele passages voor en wordt geïnterviewd door Aleid Truijens, redacteur en columniste van De Volkskrant
  
20.15 uurIn gesprek over Een Hollands Heiligdom
 Aan Thomas van der Dunk werd de Dr. Wijnaendts Francken-prijs toegekend voor zijn studie Een Hollands heiligdom. De moeizame architectonische eenwording van Nederland (2007). Historicus en juryvoorzitter namens de MNL Rudolf Dekker gaat in gesprek met de auteur.
  
20.45 uurEen brede kennismaking met Hadewijchs Liederen
 De Kruyskamp-prijs gaat naar de editie van Hadewijchs Liederen (2009) - bezorgd door Veerle Fraeters en Frank Willaert met een reconstructie van de melodieën door Louis Peter Grijp. De editeurs gaan in op de zingbaarheid van een dertiende-eeuwse mystica en dichteres.
  
21.15 uurReceptie

 

Aanmelden

Wilt u deze avond bijwonen? U kunt zich uiterlijk 15 april 2012 aanmelden, per e-mail aan aanmelding@library.leidenuniv.nl of telefonisch via het secretariaat van de Universiteitsbibliotheek Leiden (tel: 071-527 2832), onder vermelding van “MNL”.

Voorproefje

Geniet alvast van een voorproefje van de avond met de korte video interviews met winnaars Merijn de Boer en Thomas von der Dunk in de nieuwsberichten hieronder.

 

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2012 voor Merijn de Boer

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2012 toegekend aan Merijn de Boer voor zijn verhalenbundel Nestvlieders (Meulenhoff). De prijs zal op 9 juni a.s. te Leiden worden uitgereikt.

 

Het rapport van de Commissie van voordracht luidt als volgt:

In maart 2010 verscheen in het tijdschrift De Gids het verhaal ‘Uit liefde voor Vestdijk’, geschreven door Merijn de Boer. De eerste zin luidt: ‘Ooit heb ik in een jaar tijd bijna alle Vestdijks herlezen.’ Dit verhaal is niet opgenomen in de bundel Nestvlieders, waarmee De Boer in het najaar van 2011 debuteerde. Begrijpelijk, de jonge auteur zou het gevaar lopen als een Vestdijkepigoon te worden gebrandmerkt. Om een vergelijkbare reden is misschien het verhaal ‘Tragisch wonen’, in maart 2009 gepubliceerd in De Gids, evenmin gebundeld. De hoofdfiguur van dit verhaal heeft zijn intrek genomen in een huis dat vroeger werd bewoond door de schrijfster Marijke Höweler. Tragisch wonen is de titel van een door haar in 1987 uitgebrachte verhalenbundel.

Daar staat tegenover dat Merijn de Boer niet bevreesd is in interviews de auteurs van zijn voorkeur te noemen. Van Het complete werk van Frans Kellendonk zegt hij zelfs veel geleerd te hebben. Regelmatig herleest hij Bij nader inzien (1963) van J.J. Voskuil en Liefde en goudvissen (1940) van de vrijwel vergeten schrijver Jacques Gans. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.

Ook in Nestvlieders komen verwijzingen voor naar andere literatuur. De lezer stuit op de Petteflet uit een kinderboek van Annie M.G. Schmidt, op de stripheld Douwe Dabbert en een personage wordt door haar tegenspeler Ronja genoemd, de roversdochter uit het jeugdboek van Astrid Lindgren. Verder had Wolf, het raadselachtige personage uit het openingsverhaal, binnenvaartschipper willen worden vanwege een roman die hij op school heeft gelezen. Dit zou wel eens De waterman (1933) van Arthur van Schendel kunnen zijn. Tenslotte hebben twee verhalen uit Nestvlieders motto’s meegekregen van Harry Mulisch en Jeroen Brouwers. Het is vaker gezegd: literatuur brengt literatuur voort. Niemand debuteert in een letterkundig vacuüm. De kunst is evenwel niettemin een eigen geluid te laten horen. Merijn de Boer is daarin met Nestvlieders op overtuigende wijze geslaagd.

De bundel bestaat uit twee korte verhalen (‘Overal leegte’ en ‘Kraaien in de schoorsteen’) die twee langere (‘Balthasar Tak’ en ‘Luchtkasteel’), omsluiten. Geen van de verhalen dankt zijn werking aan een zorgvuldig uitgedokterde intrige, besloten met een daverende climax. Toch ontbreekt de samenhang allerminst. Het personage Wolf uit ‘Overal leegte’ gaat in de nachtelijke uren uitgedost als clown de straat op. Daarbij zingt hij het kinderliedje ‘Schipper mag ik overvaren, ja of nee?’, wat aansluit bij zijn eerder vermelde fascinatie door het beroep van binnenvaartschipper. Aan het einde van het verhaal springt hij van een brug op een varend schip. De verbijsterde verteller ziet hem, in kleermakerszit op de boeg gezeten, in de verte verdwijnen. Een prachtige slotscène.

In ‘Balthasar Tak’ verlenen de herhaaldelijk beschreven insecten samenhang aan het verhaal. Het herhaald uitspreken van de achternaam van de hoofdfiguur levert het geluid op van een zwerm sprinkhanen die tegen een tent slaat (p. 96). Ook is er de associatie met een wandelende tak. Het meisje An wordt vergeleken met een mier (p. 60). Het verbaast dan ook niet dat de titelfiguur samen met de sprinkhanen wordt verdelgd.

Om deze ontknoping is het echter niet begonnen, daar de afloop van het verhaal eerder al is prijsgegeven. Als Balthasar kennismaakt met zijn werkgeefster, een bejaarde vrouw in een rolstoel, deelt de alwetende verteller het volgende over hem mee: ‘Hij kijkt haar vriendelijk aan, nog niet wetend dat dit invalide oudje zijn dood zal worden’ (p. 77). Gewapend met een vlammenwerper gaat zij in het infernale slot van het verhaal de sprinkhanen te lijf, daarbij ook Balthasar tot slachtoffer makend. Een verteller die meer weet dan zijn personages treedt eveneens op in het sfeerrijke slotverhaal, zoals blijkt uit de zin: ‘Traag, zonder dat hij het doorheeft, klimt het vlammetje in de richting van zijn vingers’ (p. 188).

Ook in de overige twee verhalen, gesteld in de eerste persoon, beschikt de verteller over een voorsprong in kennis. Toch intrigeren zij, net als de andere twee, in hoge mate. De verteller mag dan meer weten dan de personages, zijn toelichting is doorgaans uiterst summier. In het bijzonder suggestieve verhaal ‘Kraaien in de schoorsteen’ blijft bijvoorbeeld veel in het ongewisse. ‘Balthasar Tak’ heeft het karakter van een bange droom, zoals wordt gesuggereerd door de passage uit de roman Siegfried van Harry Mulisch, die bij wijze van motto aan het verhaal voorafgaat. Daarin wordt gesteld dat een droom in de tegenwoordige tijd moet worden verteld ‘aangezien dromen net zo min als mythen historisch van aard waren.’ ‘Balthasar Tak’ staat inderdaad in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

De kracht van Nestvlieders schuilt vooral in de volstrekt eigen sfeer die de verhalen beheerst. Om die te karakteriseren schieten woorden als ‘vervreemdend’ en ‘onheilspellend’ tekort. De verhalen worden bevolkt door personages die ondoorgrondelijk blijven, zowel voor de lezer als voor de andere verhaalfiguren. Zo zoekt de ik-figuur uit ‘Overal leegte’ toenadering tot het personage Wolf, die fiscalist is van beroep. Hij kan echter alleen vrijuit met hem praten over sport. De uiterst feitelijke professionele bezigheden van Wolf verhullen een duistere kant, waardoor hij aan de ik-figuur ontsnapt, aan het einde van het verhaal zelfs letterlijk. Ook Prince, de narcistische ex-kogelstoter, die steun zoekt bij de vertelster Ronja, ontpopt zich als een ongrijpbaar individu.

De personages van Merijn de Boer doen niet op een vanzelfsprekende manier mee in de samenleving. (Dit verklaart zijn belangstelling voor het werk van Kellendonk, Gans en Voskuil, dat dezelfde spanning kent tussen individu en gemeenschap.) Integendeel, het zijn excentrieke gestalten die zich ophouden in de periferie van de maatschappij. De titel Nestvlieders verschijnt daardoor in een ironisch licht. Nestvlieders zijn vogels die, nadat zij uit het ei zijn gekropen, onmiddellijk het nest verlaten en gedeeltelijk voor zichzelf kunnen zorgen. Met deze onafhankelijkheid zijn de personages uit de verhalenbundel niet begiftigd. Zij verlaten hun vertrouwde omgeving, maar zijn onvoldoende toegerust om zich naar behoren te handhaven. Zij blijven opgesloten in zichzelf, als koningen in een zelf gesticht rijk, om een metafoor te ontlenen aan het verhaal ‘Luchtkasteel’. Met de buitenwereld staan zij op gespannen voet, mede doordat zij zichzelf slecht kennen. ‘Ik ben ziel-loo-oos!’roept de ik-figuur uit het openingsverhaal om de snelheid van het geluid te meten in het bijna lege appartementencomplex waarin bij woont (p. 13). Het is een veelzeggende uitroep in een verhaal met een titel, ‘Overal leegte’, die op de bundel als geheel van toepassing is.

De thematiek van vervreemding, gebrek aan contact en eenzaamheid kan een literair werk doen doorbuigen onder een loodzware somberte. Dit gevaar wordt in de verhalen van Merijn de Boer afgewend door de steeds aanwezige humor. In zijn beschrijvingen van mensen en gebeurtenissen wordt de treurigheid steevast getemperd door spot. Het kaalgeschoren meisje Laura draagt in het openingsverhaal een knalgeel badpak, reden waarom zij als ‘kale kanarie’ (p. 15) wordt aangeduid. Zij kan aura’s zien, tekent mandala’s en grossiert in quasi-diepzinnige opmerkingen. De Boer drijft graag de spot met hedendaagse zweverigheid, zoals blijkt uit de volgende passage uit ‘Luchtkasteel’: ‘ik liep een half uur langs de branding en kwam alleen twee vrouwen tegen die met lange vesten aan, hun armen naar de hemel spreidden en, terwijl de regen zich op hun gelukzalige gezichten stortte, steeds maar weer “Leven!” riepen, met een hoofdletter’ (p. 119). Intussen hebben de personages van De Boer daar de grootst mogelijke moeite mee.

De Van der Hoogt-prijs is een aanmoedigingsprijs, bedoeld voor een beginnend auteur. Het eerste werk moet uitzicht bieden op een belangwekkend schrijverschap. Door de geheel eigen sfeer die Merijn de Boer in de verhalen van Nestvlieders weet op te roepen, voldoen zij ruimschoots aan dit criterium. Daarom draagt de jury hem unaniem voor ter bekroning met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2012.

Commissie van voordracht: Elke Brems, Kester Freriks (voorzitter), Pia de Jong, Ester Naomi Perquin, Gerard Raat.

Zie voor een reactie van de laureaat:

 
Video
 

Kruyskamp-prijs 2012 voor Veerle Fraeters, Frank Willaert en Louis Peter Grijp

De Commissie van voordracht voor de Kruyskamp-prijs 2012, bestaande uit dr. K.J. Bostoen, dr. P.G. de Bruijn, dr. J.A.W. Gielkens en dr. J.M.C. Verbij-Schillings, heeft het genoegen voor de Kruyskamp-prijs 2012 ter bekroning voor te dragen de editie van Hadewijchs Liederen, uitgegeven, ingeleid, vertaald en toegelicht door Veerle Fraeters en Frank Willaert, met een reconstructie van de melodieën door Louis Peter Grijp, verschenen in 2009 bij de Historische Uitgeverij te Groningen.

Uitgangspunt was dat het te bekronen werk een wetenschappelijk verantwoorde editie en annotatie van oude Nederlandse teksten moest zijn, verschenen in de jaren 2006-2011. Een eerste selectie van werken die ter bekroning in aanmerking konden komen, werd gemaakt in samenwerking met dr. Nicoline van der Sijs. Zij trok zich evenwel terug om mogelijke verstrengeling van belangen te voorkomen. Het reglement werd op een paar punten aangescherpt. Zo werd het criterium ‘oude teksten’ door de Commissie opgevat als ‘teksten vóór 1900’, en rekende zij tot ‘in druk verschenen werk’ vanzelfsprekend ook digitale publicaties. Hertalingen kwamen naar het oordeel van de Commissie alleen voor bekroning in aanmerking als ook de oorspronkelijke tekst beschikbaar was gesteld, zodat de hertaling controleerbaar is.

De Commissie maakte haar keuze uit een veelzijdig aanbod van edities, zo’n dertig in getal, van enerzijds teksten aangeboden in digitale vorm en anderzijds de traditionele uitgaven in boekvorm. In het wegen van de verschillende edities was de Commissie van mening dat het de intentie van Kruyskamp is geweest om jong talent of een nieuwe en oorspronkelijke aanpak te stimuleren, en dat - bij het toekennen van de prijs - edities die daaraan voldoen eerder in aanmerking komen dan edities die binnen de geijkte kaders tot stand zijn gekomen.

In dit verband is de voorgeschiedenis van de uitgave van Hadewijchs Liederen veelzeggend. De editie zou aanvankelijk verschijnen in de Deltareeks. Toen de kopij in 2007 zo goed als gereed was, werd bekend dat de Deltareeks zou ophouden te bestaan. De Historische Uitgeverij maakte van de nood een deugd en besloot om de Liederen uit te brengen als het eerste deel van Hadewijchs complete oeuvre. Een wens die binnen het vaste Delta-concept niet mogelijk was, kon buiten de gebaande paden alsnog worden gerealiseerd.

Ook de editie zelf is het toonbeeld van een verfrissende onconventionaliteit. De uitgave kenmerkt zich aan alle kanten door opperste toegankelijkheid. Wie het boek openslaat krijgt niet alleen de oorspronkelijke tekst onder ogen, maar ook een vertaling in hedendaags Nederlands die de zogeheten ‘moeilijke’ mystieke gedichten meteen ontsluit. Van elk lied is per bladopening de oorspronkelijke tekst links en de hedendaagse vertaling rechts geplaatst. In een andere drukkleur worden deze teksten letterlijk omlijst door een bespreking van de inhoud en de vorm van elk gedicht, aangevuld met ter zake doende toelichtingen per zinvolle eenheid of per strofe. Door de rustige maar uiterst frisse typografie zijn tekst, vertaling en commentaar helder te onderscheiden en wordt het leesplezier en -gemak geen moment verstoord.

De editie wordt voorafgegaan door een heldere en enthousiasmerende inleiding van ‘Hadewijch en haar wereld’ door Veerle Fraeters en Frank Willaert, die onder meer de overlevering van Hadewijchs mystieke lyriek en de vorm- en structuuraspecten van de bundel behandelt. Al even helder is de verantwoording van de editie, met aandacht voor de wijze van uitgeven, vertalen en toelichten. Het ‘Nawerk’ bevat een overzicht van ‘Verbeteringen en twijfelgevallen’, een beredeneerde bibliografie plus alfabetisch overzicht, een register en een verantwoording van de bijgevoegde cd’s.

Aan de editie toegevoegd is een ‘Reconstructie van de melodieën’ door Louis Grijp. Per gevonden melodie wordt de muzieknotatie gepresenteerd in samenhang met de tekst. Dit onderdeel wordt besloten met een bespreking van vorm en melodie. Alle teksten zijn te beluisteren op vier bijgesloten audio cd’s, gezongen voor zover er een melodie gevonden is, voor het overige voorgedragen. Een verdienste van het onderzoek naar de melodieën is dat het heeft geleid tot de nieuwe aanduiding Liederen voor deze teksten van Hadewijch, die tot nu toe ‘strofische gedichten’ werden genoemd. Voor maar liefst negentien van de vijfenveertig teksten konden melodieën worden gepresenteerd (tot op heden waren er zes melodieën bekend). Daarmee onderbouwde Grijp de vaker geopperde veronderstelling dat Hadewijchs gedichten gezongen werden.

De Commissie meent dat de ter bekroning voorgedragen uitgave door de combinatie van grote wetenschappelijkheid en even grote toegankelijkheid alles in zich heeft om uit te groeien tot de nieuwe standaardeditie van Hadewijchs oeuvre. Ze heeft de weg geopend voor een brede kennismaking met en studie van Hadewijchs liederen, niet alleen voor wetenschappers van allerlei disciplines of voor hen die dat willen worden, maar ook voor een groot algemeen lezerspubliek.

Interview met Veerle Fraeters:

 
Video

Interview met Frank Willaert:

 
Video

Interview met Louis Peter Grijp:

 
Video

Als muzikale toegift zong Veerle Fraeters een lied van Hadewijch:

 
Video

Meer over de publicatie is te horen in een uitzending van Springvossen op AmsterdamFM. Presentator Robert Altena gaat in gesprek met de drie laureaten.

 

Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2012 voor Thomas von der Dunk

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2012 toegekend aan Thomas von der Dunk voor zijn boek Een Hollands heiligdom (Bert Bakker).

De prijs zal op 9 juni a.s. te Leiden worden uitgereikt.

 

In de afgelopen maanden heeft de commissie zich gebogen over enkele tientallen Nederlandstalige monografieën op het gebied van de cultuurgeschiedenis. Er zijn in de afgelopen zes jaren veel uitstekende boeken op dit terrein verschenen, wat een voordracht voor de Dr. Wijnaendts Francken-prijs er niet eenvoudiger op maakte. Het viel de commissie daarbij op dat dit niet zelden proefschriften waren, geschreven aan het begin van een wetenschappelijke carrière. Veel andere boeken waren juist geschreven na afloop van een loopbaan. Het geringe aantal auteurs in de leeftijdsgroep daartussen is het evidente gevolg van het huidige academische beleid, dat het schrijven van Nederlandstalige boeken ontmoedigt ten gunste van Engelstalige artikelen. Voor de Nederlandse cultuurgeschiedenis en voor de toekomst van de Dr. Wijnaendts Francken-prijs valt te hopen dat deze trend gekeerd wordt.

Na ampele overwegingen besloot de commissie unaniem om voor de Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2012 voor te dragen: Een Hollands heiligdom geschreven door Thomas von der Dunk en in 2007 gepubliceerd bij uitgeverij Bert Bakker. De ondertitel specificeert het thema: ‘De moeizame architectonische eenwording van Nederland’. Von der Dunk laat in zijn boek zien dat in de late achttiende eeuw niet alleen de staatkundige eenheid van Nederland tot stand kwam, maar dat het land ook een culturele eenheid ging vormen. De Nederlandse architectuur sloot vanaf de Patriots-Bataafse tijd bovendien nauwer aan bij de internationale ontwikkelingen. In dit boek heeft de Nederlandse architectuur uit die tijd voor het eerst een grondige studie gekregen. De titel, Een Hollands heiligdom, refereert aan het ontwerp voor een monument voor Hugo de Groot uit 1774. Dat monument is nooit gebouwd, maar het is typerend dat voor De Groot, een held van de Patriotten, een soort Griekse tempel moest worden gebouwd. De nieuwe, op het democratische oude Griekenland geïnspireerde neoclassicistische bouwstijl werd vooral binnen Patriotse kring populair. Die populariteit werd kort daarop nog eens versterkt na de Bataafse revolutie.

Het leggen van een verband tussen bouwstijl en politiek is slechts een van de originele invalshoeken in dit boek. Creatief is Von der Dunk ook in het gebruik van zijn bronnen. Zo betrekt hij de tafelarchitectuur van ceremoniële feestelijke diners van Patriotten en Bataven in zijn betoog. De opgediende suikerwerken kregen eveneens een neoclassicistische vorm. Dit nieuwe `Patriotse bouwen', zoals de auteur het noemt, doorbrak de traditionele scheidslijnen tussen de provincies van de Republiek der Verenigde Nederlanden. De bouwstijl van woonhuizen en openbare gebouwen, zoals stadhuizen en kerken, was eeuwenlang bepaald geweest door plaatselijke meestertimmerlieden en stadsbouwmeesters. Dat regionale karakter werd nu doorbroken. Op de prijsvragen die in het laatste kwart werden uitgeschreven, bijvoorbeeld voor het ontwerp van een nieuw stadhuis in Groningen, kwamen inschrijvingen uit het hele land en zelfs daarbuiten. Von der Dunk noemt dit het begin van de metamorfose van de Nederlandse architectuur. Hij ziet hier ook een begin van professionalisering, een thema dat en passant ook door hem behandeld wordt. Deze ontwikkeling mondde in het begin van de negentiende eeuw uit in de verbetering van het bouwkundig onderwijs onder koning Lodewijk Napoleon. Vanaf toen sloot de Nederlandse bouwkunst definitief aan bij de internationale architectuur.

Naast het schetsen van grote lijnen en het leggen van originele verbanden, bevat het boek ook een aantal deelstudies, zoals over de bouw van het Hofje van Teyler in Haarlem, de kerktoren van Nijkerk en de Beurs van Schiedam. Het boek biedt veel informatie over weinig bekende gebouwen en architecten. Natuurlijk gebeurt dat met gebruik van tal van architectonische termen, van fronton en festoen tot portico en pilaster, maar toch is het boek goed leesbaar dankzij de soepele stijl van de schrijver, die soms meer naar de rijkdom van het rococo neigt dan naar de eenvoud van het classicisme. Een Hollands heiligdom is, kortom, een belangrijke bijdrage tot de Nederlandse cultuurgeschiedenis, waarin met originaliteit en creativiteit een weinig bekend onderdeel op de kaart is gezet.

Commissie van voordracht: Rudolf Dekker (voorzitter), Jeroen Salman, Peter Sigmond, Tom Verschaffel en Boudien de Vries

Zie voor een reactie van de laureaat:

 
Video
 

Oproep Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2012

Om de drie jaar wordt, beurtelings voor een werk dat zich beweegt op het gebied van a. essays en literaire kritiek b. cultuurgeschiedenis door het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde de dr Wijnaendts Franckenprijs toegekend. In 2012 zal deze prijs beschikbaar zijn voor een studie op het gebied van de Cultuurgeschiedenis, geschreven en gepubliceerd in Nederlands proza in de periode 2006-2011. De hoogte van de prijs bedraagt 2.500 euro.

De jury, bestaande uit dr R.M. Dekker (voorzitter), dr B. de Vries, dr T. Verschaffel, dr J. Salman en dr J.P. Sigmond, roept uitgevers op titels van publicaties verschenen in de afgelopen zes jaar voor deze prijs in te zenden naar het secretariaat van de Maatschappij van de Nederlandse Letterkunde, postbus 9051, 2300 RA Leiden.
(Inzenden bij voorkeur vóór 15 augustus 2011)

Voor meer informatie over de dr Wijnaendts Franckenprijs die sinds 1937 beschikbaar wordt gesteld: website Maatschappij van de Nederlandse Letterkunde of MNL@library.leidenuniv.nl

 

Henriette Roland Holst-prijs 2011 voor Tom Lanoye

Advies van de commissie van voordracht

Voor Henriette Roland Holst was goede literatuur geëngageerde literatuur. En over de definitie van geëngageerde literatuur had ze geen twijfels. ‘Een krachtige, bloeiende literatuur’ - aldus haar reactie op kritiek van de ‘estheet’ Willem Kloos - ‘kan niet bestaan tenzij zij proletarisch wordt.’ Die literatuur was er nog niet, het ging om een te realiseren project van haast bovenmenselijke volmaaktheid. ‘De proletarische literatuur zal (...) vereenigd bezitten de hooge wijsheid van een nooit tevoren bereikt inzicht in de maatschappelijke noodzakelijkheid met de warmte van een maatschappelijk ideaal.’

Deze rotsvaste overtuiging sprak Henriette Roland Holst uit toen ze in 1899 voor het Socialistische Leesgezelschap in Amsterdam sprak over ‘Socialisme en literatuur’, kort nadat ze bevriend was geraakt met Herman Gorter en zij zich op zijn aanraden op de studie van het marxisme had gestort. De ‘burgerlijke kunstenaar’, wist zij, is van dat inzicht in ‘de maatschappelijke noodzakelijkheid’ en dus van dat ideaal verstoken, daarom zal hij noodgedwongen de schoonheid zelf tot ideaal verheffen. Alleen voor de socialistische kunstenaar is ‘de diepste zin van het leven niet de kunst, maar den opgang van nu tot de schoonheid van morgen.’

Een eeuw geleden werkten deze hoogdravende woorden kennelijk niet op de lachspieren. In revolutionaire kring was men er heilig van overtuigd dat de Nieuwe Tijd (ook de naam van het tijdschrift waarin Roland Holst en Gorter veel publiceerden) spoedig zou aanbreken. Dat die Nieuwe Tijd totalitair zou zijn en miljoenen mensen het leven zou kosten, heeft elke heilsleer voorgoed onmogelijk gemaakt. Niettemin beleefde het werk van Roland Holst in de jaren zeventig een bescheiden revival in kringen van linkse letterenstudenten. Sindsdien is er van het proletariaat weinig meer vernomen. De literatuur van de laatste decennia is ontnuchterd, sceptisch, nihilistisch, cynisch, ironisch of realistisch. Idealistisch is ze in elk geval niet.

Maar dat wil niet zeggen dat geëngageerde literatuur per se onmogelijk is geworden. Ze ziet er alleen heel anders uit dan in de tijd van de Grote Verwachtingen. Vrij van elk naïef vooruitgangsgeloof, van ideologische uitgangspunten, van de gerichtheid op een klasse of enig ander collectief, concentreert ze zich op maatschappelijke ontwikkelingen, problemen, conflicten en catastrofen zoals die zich in individuele levens voordoen. Nog altijd, net als in de tijd van Roland Holst, spreekt er uit die literatuur een onvrede met de wereld zoals die is, nog altijd is het perspectief dat van iemand die gelooft dat de mens - althans in principe - meer is dan een nietig, laag en verachtelijk wezen.

 

Een in deze zin hoogst geëngageerde schrijver is Tom Lanoye. Maatschappelijke betrokkenheid was voor hem, van meet af aan, vanzelfsprekend. In alle denkbare literaire genres, en ook buiten de literatuur, als publiek intellectueel, heeft Lanoye zich telkens opnieuw, direct of indirect, ingelaten met het politieke en het culturele debat. Behalve moedig en onvermoeibaar toonde hij zich daarbij welbespraakt en scherp, maar nooit unfair of wraakzuchtig. In zijn verzet tegen defaitisme mag hij een erfgenaam van Roland Holst worden genoemd, niet in zijn houding, zijn stijl, zijn toon, die altijd ook doordrenkt zijn van een lucide speelsheid die dogmatische gelijkhebberigheid uitsluit.

Henriette Roland Holst achtte ‘de verlaging van de kunst tot een spel’ kenmerkend voor ‘de burgerlijke kunstfilosofie.’ Voor zover dat na het subversieve optreden van surrealisten en dadaïsten nog nodig was, laat Tom Lanoye overtuigend zien dat die opvatting achterhaald is.  Bij hem is het spel juist een middel om te experimenteren met andere bestaansmogelijkheden. In het spel ontsnapt hij aan de deprimerende routines van het alledaagse, belichaamt hij alternatieven op de meest tastbare manier, fysiek en zintuiglijk.

In dat opzicht lijkt Hugo Claus zijn leermeester. Dat de slogan ‘Less is more’ in onze letteren zoveel opgang heeft gemaakt, ziet Lanoye, eveneens in het spoor van Claus, als een ziektebeeld, ‘genaamd literaire anorexia nervosa’. Generositeit is het tegengif. Angst voor verbale overdaad is hem net zo vreemd als de gastronomische overdaad in huize Lanoye, die hij allersmakelijkst en oerkomisch beschrijft. Soms heeft hij zelfs iets van een Vlaamse Rabelais.

 

Het oeuvre van Tom Lanoye is nauwelijks nog te overzien. Vast staat dat de roman Sprakeloos uit 2009 tot de hoogtepunten behoort. Het is, na onder meer zijn grote Belgische trilogie, weer een autobiografisch boek, dat in talrijke opzichten aansluit op zijn twee vroege autobiografische romans, Een slagerszoon met een brilletje (1985) en Kartonnen dozen (1991). Dat hij drie jaar met de plannen voor Sprakeloos heeft rondgelopen voor hij aan de uitwerking toekwam, moet óók te maken hebben gehad met het besef dat er ditmaal meer dan ooit op het spel stond: een van pijn en verdriet maar ook van liefde en trots doortrokken portret van zijn moeder.

Het fotootje van zijn moeder op het voorplat van het boek is veelzeggend. Je zou er niet gauw een hardwerkende Vlaamse slagersvrouw en moeder van vijf kinderen in vermoeden, eerder een Engelse dame van stand uit lang vervlogen tijden. En dat was ze óók, of liever: dat speelde ze. Toen ze haar man eeuwige trouw beloofde en zich blijmoedig en vol overgave schikte in haar rol van slagersvrouw, deed ze dat op één voorwaarde: ‘dat ge mij nooit mijn toneel afpakt, ik moet iets hebben om mij uit te leven.’ Dat heeft ze vervolgens haar hele leven gedaan, zelfs nog in het verpleeghuis, nadat ze was getroffen door een dubbele hersenbloeding die haar van haar taal, haar verstand, haar trots en ten slotte haar laatste resten waardigheid had beroofd.

Acteren was voor haar geen zondags verzetje, het was de grondhouding van iemand die waar en wanneer dan ook van het leven meer wilde maken dan het schijnbaar te bieden had. Ze acteerde niet alleen op de planken; ook als er in de slagerij een nagenoeg onuitvoerbare opdracht binnenkwam vroeg ze niet naar moeite of inkomsten, ze maakte er een fantastisch kunstwerk in oneindig veel bedrijven van dat iedereen met stomheid sloeg. Acterend werkte ze aan haar eigen niveau en tegelijk aan de optimalisering van het alledaagse bestaan. En dat heeft de zoon al heel jong van haar geleerd.

Aanvankelijk lijkt Sprakeloos nog het meest op een aaneenschakeling van groteske taferelen, een schelmenroman in de beste Vlaamse traditie. Gaandeweg blijkt het, ook structureel, veel meer dan dat. Sleutelscènes in het verhaal - het moment van totale ontreddering bij de eerste hersenbloeding, de hartverscheurende coming out van de zoon - worden telkens opnieuw aangestipt, afgebroken en, na een stortvloed van associatief verbonden uitweidingen, hernomen, waardoor het boek tegelijk een hechte compositie en diverse sterke spanningsbogen krijgt.

In scènes als deze bewijst Lanoye zijn toneelervaring. Als het erop aankomt weet hij als geen ander wat hij moet weglaten of verstoppen om de grootst mogelijke betrokkenheid op te roepen. Dat talent heeft hij van zijn moeder, en dat steekt hij niet onder stoelen of banken. De dankbaarheid daarvoor blijkt uit elke regel van dit boek, dat misschien nog het best als een onvergetelijk standbeeld in taal kan worden getypeerd.

 

Op grond van deze overwegingen stelt de commissie van advies unaniem voor de Henriette Roland Holst-prijs 2011 toe te kennen aan Tom Lanoye voor zijn roman Sprakeloos.

 

Juryleden: Cyrille Offermans, Jacqueline Bel, Luc Devoldere

 

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2011 voor Lieke Marsman

Advies van de Commissie voor schone letteren

In ‘Zelfde liedje’, een gedicht over vallen en opstaan uit de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud van Lieke Marsman, komen de volgende regels voor: ‘Gisteren zei iemand me dat je, om mooi te schrijven, / afwisselend moet zijn.’ Het is al te makkelijk deze woorden tot poëticaal programma te  verheffen, maar mooi schrijven is kennelijk een ambitie. In vele gedichten wordt dan ook gedacht over het gebruik van taal en de indruk die daardoor wordt gewekt. ‘Wat dies meer zij is een kloeke manier om te laten zien / dat je best je archaïsche trukendoos beheerst’, valt bijvoorbeeld te lezen in ‘Vrienden en wat dies meer zij’. Ook brengt de dichteres het creatieve proces treffend in beeld: ‘maar ik kan door alle bomen het bos zien, / omdat ik achter alles iets verzin.’ Haar ultieme ambitie lijkt vooralsnog achter de horizon te liggen, getuige de volgende regels: ‘Toen ik achtenzestig werd, schreef ik mijn eerste gedicht over / de liefde waarin ik niet hoefde te vergelijken met dieren of / planten (...).’ Het is ontroerend, maar vooral knap, dat deze jonge dichteres zich bewust is van haar jeugdige leeftijd, maar daar tegelijkertijd betekenisvol over kan schrijven.

Het openingsgedicht van de bundel, ‘Vasthoudendheid’, laat veel zien van Lieke Marsmans dichterschap. Het is een fantasievolle monologue intérieur van iemand die geplaagd wordt door slapeloosheid.

 
(...) Of het is zo
 
dat je niet weet waar je moet kijken, omdat alles
 
voor je ogen zo rood is. Je ogen zijn rood, omdat
 
iemand heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en
 
dat heeft je geraakt. Het fijne aan geraakt worden
 
is dat het niet lang hoeft te duren om lang
 
te blijven duren. (...)

Het malen van de gedachten wordt fraai verbeeld door de woordherhaling: ‘ogen’, ‘rood’, ‘geraakt’ en ‘duren’. Het past bij dit dwangmatige denken dat het gedicht een cyclische bouw heeft die ook de bundel als geheel kenmerkt. ‘Donker’, een toepasselijke titel voor een slotgedicht, gaat eveneens over iemand die slapeloos ligt te denken. Het gedicht eindigt met de wens: ‘Slaap, stop mij toe, / toe laat mij gaan.’  De cirkelvorm komt een aantal malen terug in de bundel en het verbaast niet dat een ik-figuur in één van de gedichten een vierkant wil tekenen, maar ‘automatisch’ een cirkel produceert.

De gedichten in Wat ik mijzelf graag voorhoud lijken vaak op monologen en hebben geen vaste vorm. Het zijn proza-achtige teksten met vaak breed uitwaaierende regels. Toch moet de poëtische vaardigheid van Lieke Marsman niet worden onderschat. Zo simuleren de enjambementen in ‘Vasthoudendheid’ het eindeloos doorgaande malen van de hersenen. En een abrupte overgang in het gedicht ‘Sneeuwuilen’ (‘Zo sta je opeens // in een bos bij Berlijn een uil na te doen (...)’) wordt slim ondersteund door na ‘opeens’ een witregel in te lassen.

Er wordt veel nagedacht in Wat ik mijzelf graag voorhoud. De werkelijkheid wordt niet rechtstreeks beschreven, maar vormt het uitgangspunt voor gedachten en voorstellingen. Dit gebeurt met een zekere mate van terloopsheid, die onder meer tot uiting komt in de titel ‘Ondertussen’, die twee keer in de bundel wordt gebruikt. Van vrijblijvendheid is echter geen sprake,al helemaal niet waar de poëzie in het geding komt. In het eerste gedicht met de titel ‘Ondertussen’ wordt een sneeuwlandschap geëvoceerd:

 
(...) Als ik er opkijk ken ik
 
de namen van alle planten van buiten, over hen
 
zal ik zingen in dwarrelende tonen
 
totdat ze niet langer bedekt zijn. (...)

Poëzie heeft hier het vermogen tot onthulling, paradoxaal genoeg via ‘dwarrelende tonen’, die in de gegeven context onvermijdelijk de associatie oproepen met sneeuwvlokken. (De paradox is allerminst vreemd aan de poëzie van Lieke Marsman.) De drie slotstrofen van het gedicht, steeds beginnend met de aankondiging ‘Ik zal zo hard zingen / dat (...)’, drukken  vertrouwen uit in de poëzie en het dichterschap.

De thematiek van reflectie en zich voorstellingen maken van de wereld kan licht resulteren in loodzware gedichten, waarin vooral de eigen navel object van studie is. Dit gevaar wordt echter succesvol afgewend door een nuchterheid die vaak uiterst humoristisch is. Het gedicht ‘New York’ eindigt bijvoorbeeld met de verleiding van de ik-figuur (‘een / televisiegezicht trekt mijn broek al naar beneden’), waarna een pathetische uitspraak die zij doet, wordt gerelativeerd door de prozaïsche gedachte ‘(...) Oh Gut / heb ik de koelkast / wel dichtgedaan.’ Prachtig is ook de onvoltooide zin: ‘Toen mijn hoofd er uit zag als een hond en ik de behoefte niet voelde / om met me door de stad te lopen’.

Wat ik mijzelf graag voorhoud is opgebouwd uit afdelingen en cycli, iets wat voor de hand lijkt te liggen bij een poëzie die zo hardnekkig wordt ingezet om greep te krijgen op de wereld. Meestal lukt dit niet, maar als zo vaak leveren de mislukkingen de fraaiste resultaten op. Steeds worden de opgestelde hypothesen, waarin filosofie en speelsheid een harmonische relatie aangaan, ontkracht.

Bij alle onzekerheid blijft één ding onaantastbaar overeind staan: het eigen dichterschap. Het gedicht ‘Soms moet dat’ eindigt aldus:

 
als men vraagt waarom schrijf je
 
in hemelsnaam nog gedichten antwoord dan
 
omdat mensen niet onder mijn tong
 
blijven liggen omdat je gedichten stil
 
kunt laten staan als een luisterend oor
 
tegen je schokkende borstkas omdat poëzie
 
aan je ribben is gaan rusten en
 
een verband heeft aangelegd
 
met jouw verhaal.

Treffend is het woordje ‘nog’ dat suggereert dat gedichten schrijven een verouderde bezigheid is, dan wel iets voor kinderen of pubers. Maar poëzie, zo luidt het antwoord, geeft stem aan anderen en is intiem, zelfs lijfelijk, verbonden met het eigen bestaan.

Met haar gedichten trekt de dichteres op overtuigende wijze de consequenties uit deze stellingname. Door de eigenzinnige visie op de wereld, de beheersing van de poëtische trukendoos en het geloof in de poëzie, waarbij humor en zelfspot niet ontbreken, biedt haar debuutbundel uitzicht op een authentiek dichterschap. Het is om die reden dat de jury zonder aarzeling en unaniem Wat ik mijzelf graag voorhoud van Lieke Marsman voordraagt ter bekroning met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2011.

 

Juryleden: Elke Brems, Kester Freriks, Micha Hamel, Ingrid Hoogervorst en Gerard Raat

 

Frans Kellendonk-prijs 2011 voor Arnon Grunberg

Advies van de Commissie van voordracht

Bij haar zoektocht naar kandidaten voor de Frans Kellendonkprijs 2011 ging de jury op zoek naar schrijvers onder de veertig van wie het werk kan worden gezien als een hoogwaardig oeuvre in wording, dat getuigt van een maatschappelijke problematiek. Al vrij spoedig werd het haar duidelijk dat Arnon Grunberg (*1971) de ideale kandidaat was.

Grunberg is de auteur van een even gevarieerd als geprononceerd oeuvre dat zich uitstrekt tot genres als de roman, het drama, het essay, de column, de reportage en het weblog. In al die genres manifesteert hij zich als een kritisch en onafhankelijk waarnemer en analist, die zijn standpunten op even scherpe als creatieve wijze uitdraagt en daarbij de confrontatie en controverse niet schuwt. Zo profileert hij zich in De mensheid zij geprezen : Lof der Zotheid (2001) als een scherp observator van de mensheid en zijn drijfveren, waarbij hij bovendien een grote kennis aan de dag legt van literatuur en filosofie.

Grunbergs levensvisie is het pregnantst neergelegd in de onder het pseudoniem Marek van der Jagt geschreven roman Gstaad 95-98 en de onder eigen naam gepubliceerde romans De asielzoeker (2003), Tirza (2006) en Onze oom (2008). Ze nemen de lezer nolens volens mee bij de ontluistering van de personages, die tot in hun diepste kern worden ontdaan van alle laagjes beschaving. In een aforistische stijl fileert Grunberg de menselijke drijfveren.

Al vormen bovengenoemde romans en het op Erasmus georiënteerde essay de voornaamste aanleiding voor deze voordracht, het is ook de ontwikkeling van Grunbergs schrijverschap in zijn geheel die ons in staat stelt, hem als een waardige erfgenaam van Kellendonks intellectuele spitsvondigheid en uitzonderlijk literair talent te beschouwen. Zijn reportages als oorlogscorrespondent in Irak en Afghanistan, recent gebundeld in Kamermeisjes en soldaten (2009), zijn onlosmakelijk met die ontwikkeling verbonden en blijken uiterst vruchtbaar te zijn geweest voor het romanoeuvre.

Arnon Grunberg maakte in zijn leerjaren als schrijver furore als de trendbewuste auteur van tragikomische Bildungsromans die door hun provocerende toon aan het verwachtingspatroon van de jonge lezer zullen hebben beantwoord: in Figuranten bijvoorbeeld werd in een bonte aaneenschakeling van burleske fragmenten verteld over de groteske lotgevallen van een drietal hedendaagse ‘titaantjes’, die zowel letterlijk, door hun nonchalante pogingen om in de film- en mediawereld voet aan de grond te krijgen, als figuurlijk, door hun buitensporig en vaak wansmakelijk gedrag, de bourgeois en diens bekrompen moraal voor schut trachten te zetten.

In een volgend stadium op weg naar volwaardig schrijverschap biedt de auteur in Tirza een hecht geconstrueerd, veelgelaagd verhaal over de schizofrenie van een doorsnee West-Europeaan in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw. Terecht hebben critici gewezen op aanknopingspunten met Kellendonks meesterwerk Mystiek lichaam: de hoofdpersoon Jörgen Hofmeester bijvoorbeeld, heeft in zijn hoedanigheid van geldwolf, ziekelijke narcist en dominante vaderfiguur veel weg van Kellendonks Gijselhart. We wijzen er in dit verband graag op dat het onder het pseudoniem Marek van der Jagt geschreven essay Otto Weininger of Bestaat de Jood? een bijzonder originele en snijdende interpretatie van Mystiek lichaam bevat. Op zijn beurt biedt de Kellendonklezing, door Grunberg in 2007 uitgesproken, sleutels voor de interpretatie van Tirza: de auteur keert zich daar tegen ‘de ziekte die enkelvoudige identiteit heet’ en legt de vinger op de wonde plek van het slachtofferschap waarachter de doorsnee westerling zich al te gretig verschuilt om zijn middelmatigheid te verbergen of goed te praten. Dit zijn precies de eigenschappen die de anti-held Hofmeester typeren en die gedeeltelijk verklaren waarom hij zijn lievelingsdochter Tirza en haar Marokkaanse vriend Choukri op gruwelijke wijze vermoordt. De groteske associatie door Hofmeester van Choukri met de moslimterrorist Mohammed Atta en de manier waarop hij een verdwijning van dochter en vriend ensceneert om de verantwoordelijkheid voor zijn mislukte huwelijk en carrière te ontlopen, spreken boekdelen over de paranoia van de blanke middenklasse. Door het perspectief doorgaans bij Hofmeester te leggen slaagt Grunberg er op meesterlijke wijze in om de spanning ten top te voeren wanneer aan het slot van de roman blijkt hoe radicaal Hofmeesters zedelijk verval en zelfvervreemding is geweest. In het voetspoor van Frans Kellendonk schreef Grunberg een groots opgezette, klassieke roman die de hypocriete moraal en het gewelddadige substraat van onze zogenaamd liberale samenleving meedogenloos ontmaskert. Daarvoor én voor de rijkgeschakeerde compositie van deze roman, die onder meer opvalt door tal van intertekstuele verwijzingen naar zowel de Bijbel, als naar subliteraire genres (de soap bijvoorbeeld), verdient hij alle lof.

Augustus 2010

  • Dorian Cumps
  • Jaap Goedegebuure
  • Jeanne Verbij-Schillings (vz.)