Nieuws en Mededelingen

 

Literaire avond met prijswinnende auteurs

Literaire avond met prijswinnende auteurs

Ontmoet literair talent van Nederland tijdens een avond van voordracht, interview en gesprek. Op donderdagavond 19 april 2012 presenteert de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde de recent door haar bekroonde auteurs.

 

Bekroond talent

Begin maart heeft de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde prijzen toegekend aan Merijn de Boer (beste prozadebuut), aan Thomas von der Dunk (beste cultuurhistorische studie) en aan Veerle Fraeters, Frank Willaert en Louis Grijp (beste teksteditie). Uitgebreide informatie hierover vindt u terug op de website van de Universitaire Bibliotheken Leiden.

 

Op donderdag 19 april - halverwege de periode tussen toekenning en uitreiking - organiseert de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (MNL), in samenwerking met de Universitaire Bibliotheken Leiden, een literaire avond waar u nader kennis kunt maken met de auteurs en hun prijswinnende werken. Dit evenement vindt plaats in de Universiteitsbibliotheek Leiden. De prijsuitreiking zelf zal plaatsvinden op zaterdag 9 juni 2012, tijdens het openbare gedeelte van de jaarvergadering van de MNL.

 

Programma Literaire Avond

.
19.15 uurZaal open (Vergaderzaal Universiteitsbibliotheek Leiden, Witte Singel 27)
19.30 uurWelkom door Peter Sigmond, voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
  
19.45 uurVoordracht en interview Nestvlieders
 Merijn de Boer wint de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs voor zijn verhalenbundel Nestvlieders (2011). De auteur leest enkele passages voor en wordt geïnterviewd door Aleid Truijens, redacteur en columniste van De Volkskrant
  
20.15 uurIn gesprek over Een Hollands Heiligdom
 Aan Thomas van der Dunk werd de Dr. Wijnaendts Francken-prijs toegekend voor zijn studie Een Hollands heiligdom. De moeizame architectonische eenwording van Nederland (2007). Historicus en juryvoorzitter namens de MNL Rudolf Dekker gaat in gesprek met de auteur.
  
20.45 uurEen brede kennismaking met Hadewijchs Liederen
 De Kruyskamp-prijs gaat naar de editie van Hadewijchs Liederen (2009) - bezorgd door Veerle Fraeters en Frank Willaert met een reconstructie van de melodieën door Louis Peter Grijp. De editeurs gaan in op de zingbaarheid van een dertiende-eeuwse mystica en dichteres.
  
21.15 uurReceptie

 

Aanmelden

Wilt u deze avond bijwonen? U kunt zich uiterlijk 15 april 2012 aanmelden, per e-mail aan aanmelding@library.leidenuniv.nl of telefonisch via het secretariaat van de Universiteitsbibliotheek Leiden (tel: 071-527 2832), onder vermelding van “MNL”.

Voorproefje

Geniet alvast van een voorproefje van de avond met de korte video interviews met winnaars Merijn de Boer en Thomas von der Dunk in de nieuwsberichten hieronder.

 

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2012 voor Merijn de Boer

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2012 toegekend aan Merijn de Boer voor zijn verhalenbundel Nestvlieders (Meulenhoff). De prijs zal op 9 juni a.s. te Leiden worden uitgereikt.

 

Het rapport van de Commissie van voordracht luidt als volgt:

In maart 2010 verscheen in het tijdschrift De Gids het verhaal ‘Uit liefde voor Vestdijk’, geschreven door Merijn de Boer. De eerste zin luidt: ‘Ooit heb ik in een jaar tijd bijna alle Vestdijks herlezen.’ Dit verhaal is niet opgenomen in de bundel Nestvlieders, waarmee De Boer in het najaar van 2011 debuteerde. Begrijpelijk, de jonge auteur zou het gevaar lopen als een Vestdijkepigoon te worden gebrandmerkt. Om een vergelijkbare reden is misschien het verhaal ‘Tragisch wonen’, in maart 2009 gepubliceerd in De Gids, evenmin gebundeld. De hoofdfiguur van dit verhaal heeft zijn intrek genomen in een huis dat vroeger werd bewoond door de schrijfster Marijke Höweler. Tragisch wonen is de titel van een door haar in 1987 uitgebrachte verhalenbundel.

Daar staat tegenover dat Merijn de Boer niet bevreesd is in interviews de auteurs van zijn voorkeur te noemen. Van Het complete werk van Frans Kellendonk zegt hij zelfs veel geleerd te hebben. Regelmatig herleest hij Bij nader inzien (1963) van J.J. Voskuil en Liefde en goudvissen (1940) van de vrijwel vergeten schrijver Jacques Gans. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.

Ook in Nestvlieders komen verwijzingen voor naar andere literatuur. De lezer stuit op de Petteflet uit een kinderboek van Annie M.G. Schmidt, op de stripheld Douwe Dabbert en een personage wordt door haar tegenspeler Ronja genoemd, de roversdochter uit het jeugdboek van Astrid Lindgren. Verder had Wolf, het raadselachtige personage uit het openingsverhaal, binnenvaartschipper willen worden vanwege een roman die hij op school heeft gelezen. Dit zou wel eens De waterman (1933) van Arthur van Schendel kunnen zijn. Tenslotte hebben twee verhalen uit Nestvlieders motto’s meegekregen van Harry Mulisch en Jeroen Brouwers. Het is vaker gezegd: literatuur brengt literatuur voort. Niemand debuteert in een letterkundig vacuüm. De kunst is evenwel niettemin een eigen geluid te laten horen. Merijn de Boer is daarin met Nestvlieders op overtuigende wijze geslaagd.

De bundel bestaat uit twee korte verhalen (‘Overal leegte’ en ‘Kraaien in de schoorsteen’) die twee langere (‘Balthasar Tak’ en ‘Luchtkasteel’), omsluiten. Geen van de verhalen dankt zijn werking aan een zorgvuldig uitgedokterde intrige, besloten met een daverende climax. Toch ontbreekt de samenhang allerminst. Het personage Wolf uit ‘Overal leegte’ gaat in de nachtelijke uren uitgedost als clown de straat op. Daarbij zingt hij het kinderliedje ‘Schipper mag ik overvaren, ja of nee?’, wat aansluit bij zijn eerder vermelde fascinatie door het beroep van binnenvaartschipper. Aan het einde van het verhaal springt hij van een brug op een varend schip. De verbijsterde verteller ziet hem, in kleermakerszit op de boeg gezeten, in de verte verdwijnen. Een prachtige slotscène.

In ‘Balthasar Tak’ verlenen de herhaaldelijk beschreven insecten samenhang aan het verhaal. Het herhaald uitspreken van de achternaam van de hoofdfiguur levert het geluid op van een zwerm sprinkhanen die tegen een tent slaat (p. 96). Ook is er de associatie met een wandelende tak. Het meisje An wordt vergeleken met een mier (p. 60). Het verbaast dan ook niet dat de titelfiguur samen met de sprinkhanen wordt verdelgd.

Om deze ontknoping is het echter niet begonnen, daar de afloop van het verhaal eerder al is prijsgegeven. Als Balthasar kennismaakt met zijn werkgeefster, een bejaarde vrouw in een rolstoel, deelt de alwetende verteller het volgende over hem mee: ‘Hij kijkt haar vriendelijk aan, nog niet wetend dat dit invalide oudje zijn dood zal worden’ (p. 77). Gewapend met een vlammenwerper gaat zij in het infernale slot van het verhaal de sprinkhanen te lijf, daarbij ook Balthasar tot slachtoffer makend. Een verteller die meer weet dan zijn personages treedt eveneens op in het sfeerrijke slotverhaal, zoals blijkt uit de zin: ‘Traag, zonder dat hij het doorheeft, klimt het vlammetje in de richting van zijn vingers’ (p. 188).

Ook in de overige twee verhalen, gesteld in de eerste persoon, beschikt de verteller over een voorsprong in kennis. Toch intrigeren zij, net als de andere twee, in hoge mate. De verteller mag dan meer weten dan de personages, zijn toelichting is doorgaans uiterst summier. In het bijzonder suggestieve verhaal ‘Kraaien in de schoorsteen’ blijft bijvoorbeeld veel in het ongewisse. ‘Balthasar Tak’ heeft het karakter van een bange droom, zoals wordt gesuggereerd door de passage uit de roman Siegfried van Harry Mulisch, die bij wijze van motto aan het verhaal voorafgaat. Daarin wordt gesteld dat een droom in de tegenwoordige tijd moet worden verteld ‘aangezien dromen net zo min als mythen historisch van aard waren.’ ‘Balthasar Tak’ staat inderdaad in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

De kracht van Nestvlieders schuilt vooral in de volstrekt eigen sfeer die de verhalen beheerst. Om die te karakteriseren schieten woorden als ‘vervreemdend’ en ‘onheilspellend’ tekort. De verhalen worden bevolkt door personages die ondoorgrondelijk blijven, zowel voor de lezer als voor de andere verhaalfiguren. Zo zoekt de ik-figuur uit ‘Overal leegte’ toenadering tot het personage Wolf, die fiscalist is van beroep. Hij kan echter alleen vrijuit met hem praten over sport. De uiterst feitelijke professionele bezigheden van Wolf verhullen een duistere kant, waardoor hij aan de ik-figuur ontsnapt, aan het einde van het verhaal zelfs letterlijk. Ook Prince, de narcistische ex-kogelstoter, die steun zoekt bij de vertelster Ronja, ontpopt zich als een ongrijpbaar individu.

De personages van Merijn de Boer doen niet op een vanzelfsprekende manier mee in de samenleving. (Dit verklaart zijn belangstelling voor het werk van Kellendonk, Gans en Voskuil, dat dezelfde spanning kent tussen individu en gemeenschap.) Integendeel, het zijn excentrieke gestalten die zich ophouden in de periferie van de maatschappij. De titel Nestvlieders verschijnt daardoor in een ironisch licht. Nestvlieders zijn vogels die, nadat zij uit het ei zijn gekropen, onmiddellijk het nest verlaten en gedeeltelijk voor zichzelf kunnen zorgen. Met deze onafhankelijkheid zijn de personages uit de verhalenbundel niet begiftigd. Zij verlaten hun vertrouwde omgeving, maar zijn onvoldoende toegerust om zich naar behoren te handhaven. Zij blijven opgesloten in zichzelf, als koningen in een zelf gesticht rijk, om een metafoor te ontlenen aan het verhaal ‘Luchtkasteel’. Met de buitenwereld staan zij op gespannen voet, mede doordat zij zichzelf slecht kennen. ‘Ik ben ziel-loo-oos!’roept de ik-figuur uit het openingsverhaal om de snelheid van het geluid te meten in het bijna lege appartementencomplex waarin bij woont (p. 13). Het is een veelzeggende uitroep in een verhaal met een titel, ‘Overal leegte’, die op de bundel als geheel van toepassing is.

De thematiek van vervreemding, gebrek aan contact en eenzaamheid kan een literair werk doen doorbuigen onder een loodzware somberte. Dit gevaar wordt in de verhalen van Merijn de Boer afgewend door de steeds aanwezige humor. In zijn beschrijvingen van mensen en gebeurtenissen wordt de treurigheid steevast getemperd door spot. Het kaalgeschoren meisje Laura draagt in het openingsverhaal een knalgeel badpak, reden waarom zij als ‘kale kanarie’ (p. 15) wordt aangeduid. Zij kan aura’s zien, tekent mandala’s en grossiert in quasi-diepzinnige opmerkingen. De Boer drijft graag de spot met hedendaagse zweverigheid, zoals blijkt uit de volgende passage uit ‘Luchtkasteel’: ‘ik liep een half uur langs de branding en kwam alleen twee vrouwen tegen die met lange vesten aan, hun armen naar de hemel spreidden en, terwijl de regen zich op hun gelukzalige gezichten stortte, steeds maar weer “Leven!” riepen, met een hoofdletter’ (p. 119). Intussen hebben de personages van De Boer daar de grootst mogelijke moeite mee.

De Van der Hoogt-prijs is een aanmoedigingsprijs, bedoeld voor een beginnend auteur. Het eerste werk moet uitzicht bieden op een belangwekkend schrijverschap. Door de geheel eigen sfeer die Merijn de Boer in de verhalen van Nestvlieders weet op te roepen, voldoen zij ruimschoots aan dit criterium. Daarom draagt de jury hem unaniem voor ter bekroning met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2012.

Commissie van voordracht: Elke Brems, Kester Freriks (voorzitter), Pia de Jong, Ester Naomi Perquin, Gerard Raat.

Zie voor een reactie van de laureaat:

 
Video
 

Kruyskamp-prijs 2012 voor Veerle Fraeters, Frank Willaert en Louis Peter Grijp

De Commissie van voordracht voor de Kruyskamp-prijs 2012, bestaande uit dr. K.J. Bostoen, dr. P.G. de Bruijn, dr. J.A.W. Gielkens en dr. J.M.C. Verbij-Schillings, heeft het genoegen voor de Kruyskamp-prijs 2012 ter bekroning voor te dragen de editie van Hadewijchs Liederen, uitgegeven, ingeleid, vertaald en toegelicht door Veerle Fraeters en Frank Willaert, met een reconstructie van de melodieën door Louis Peter Grijp, verschenen in 2009 bij de Historische Uitgeverij te Groningen.

Uitgangspunt was dat het te bekronen werk een wetenschappelijk verantwoorde editie en annotatie van oude Nederlandse teksten moest zijn, verschenen in de jaren 2006-2011. Een eerste selectie van werken die ter bekroning in aanmerking konden komen, werd gemaakt in samenwerking met dr. Nicoline van der Sijs. Zij trok zich evenwel terug om mogelijke verstrengeling van belangen te voorkomen. Het reglement werd op een paar punten aangescherpt. Zo werd het criterium ‘oude teksten’ door de Commissie opgevat als ‘teksten vóór 1900’, en rekende zij tot ‘in druk verschenen werk’ vanzelfsprekend ook digitale publicaties. Hertalingen kwamen naar het oordeel van de Commissie alleen voor bekroning in aanmerking als ook de oorspronkelijke tekst beschikbaar was gesteld, zodat de hertaling controleerbaar is.

De Commissie maakte haar keuze uit een veelzijdig aanbod van edities, zo’n dertig in getal, van enerzijds teksten aangeboden in digitale vorm en anderzijds de traditionele uitgaven in boekvorm. In het wegen van de verschillende edities was de Commissie van mening dat het de intentie van Kruyskamp is geweest om jong talent of een nieuwe en oorspronkelijke aanpak te stimuleren, en dat - bij het toekennen van de prijs - edities die daaraan voldoen eerder in aanmerking komen dan edities die binnen de geijkte kaders tot stand zijn gekomen.

In dit verband is de voorgeschiedenis van de uitgave van Hadewijchs Liederen veelzeggend. De editie zou aanvankelijk verschijnen in de Deltareeks. Toen de kopij in 2007 zo goed als gereed was, werd bekend dat de Deltareeks zou ophouden te bestaan. De Historische Uitgeverij maakte van de nood een deugd en besloot om de Liederen uit te brengen als het eerste deel van Hadewijchs complete oeuvre. Een wens die binnen het vaste Delta-concept niet mogelijk was, kon buiten de gebaande paden alsnog worden gerealiseerd.

Ook de editie zelf is het toonbeeld van een verfrissende onconventionaliteit. De uitgave kenmerkt zich aan alle kanten door opperste toegankelijkheid. Wie het boek openslaat krijgt niet alleen de oorspronkelijke tekst onder ogen, maar ook een vertaling in hedendaags Nederlands die de zogeheten ‘moeilijke’ mystieke gedichten meteen ontsluit. Van elk lied is per bladopening de oorspronkelijke tekst links en de hedendaagse vertaling rechts geplaatst. In een andere drukkleur worden deze teksten letterlijk omlijst door een bespreking van de inhoud en de vorm van elk gedicht, aangevuld met ter zake doende toelichtingen per zinvolle eenheid of per strofe. Door de rustige maar uiterst frisse typografie zijn tekst, vertaling en commentaar helder te onderscheiden en wordt het leesplezier en -gemak geen moment verstoord.

De editie wordt voorafgegaan door een heldere en enthousiasmerende inleiding van ‘Hadewijch en haar wereld’ door Veerle Fraeters en Frank Willaert, die onder meer de overlevering van Hadewijchs mystieke lyriek en de vorm- en structuuraspecten van de bundel behandelt. Al even helder is de verantwoording van de editie, met aandacht voor de wijze van uitgeven, vertalen en toelichten. Het ‘Nawerk’ bevat een overzicht van ‘Verbeteringen en twijfelgevallen’, een beredeneerde bibliografie plus alfabetisch overzicht, een register en een verantwoording van de bijgevoegde cd’s.

Aan de editie toegevoegd is een ‘Reconstructie van de melodieën’ door Louis Grijp. Per gevonden melodie wordt de muzieknotatie gepresenteerd in samenhang met de tekst. Dit onderdeel wordt besloten met een bespreking van vorm en melodie. Alle teksten zijn te beluisteren op vier bijgesloten audio cd’s, gezongen voor zover er een melodie gevonden is, voor het overige voorgedragen. Een verdienste van het onderzoek naar de melodieën is dat het heeft geleid tot de nieuwe aanduiding Liederen voor deze teksten van Hadewijch, die tot nu toe ‘strofische gedichten’ werden genoemd. Voor maar liefst negentien van de vijfenveertig teksten konden melodieën worden gepresenteerd (tot op heden waren er zes melodieën bekend). Daarmee onderbouwde Grijp de vaker geopperde veronderstelling dat Hadewijchs gedichten gezongen werden.

De Commissie meent dat de ter bekroning voorgedragen uitgave door de combinatie van grote wetenschappelijkheid en even grote toegankelijkheid alles in zich heeft om uit te groeien tot de nieuwe standaardeditie van Hadewijchs oeuvre. Ze heeft de weg geopend voor een brede kennismaking met en studie van Hadewijchs liederen, niet alleen voor wetenschappers van allerlei disciplines of voor hen die dat willen worden, maar ook voor een groot algemeen lezerspubliek.

 

Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2012 voor Thomas von der Dunk

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2012 toegekend aan Thomas von der Dunk voor zijn boek Een Hollands heiligdom (Bert Bakker).

De prijs zal op 9 juni a.s. te Leiden worden uitgereikt.

 

In de afgelopen maanden heeft de commissie zich gebogen over enkele tientallen Nederlandstalige monografieën op het gebied van de cultuurgeschiedenis. Er zijn in de afgelopen zes jaren veel uitstekende boeken op dit terrein verschenen, wat een voordracht voor de Dr. Wijnaendts Francken-prijs er niet eenvoudiger op maakte. Het viel de commissie daarbij op dat dit niet zelden proefschriften waren, geschreven aan het begin van een wetenschappelijke carrière. Veel andere boeken waren juist geschreven na afloop van een loopbaan. Het geringe aantal auteurs in de leeftijdsgroep daartussen is het evidente gevolg van het huidige academische beleid, dat het schrijven van Nederlandstalige boeken ontmoedigt ten gunste van Engelstalige artikelen. Voor de Nederlandse cultuurgeschiedenis en voor de toekomst van de Dr. Wijnaendts Francken-prijs valt te hopen dat deze trend gekeerd wordt.

Na ampele overwegingen besloot de commissie unaniem om voor de Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2012 voor te dragen: Een Hollands heiligdom geschreven door Thomas von der Dunk en in 2007 gepubliceerd bij uitgeverij Bert Bakker. De ondertitel specificeert het thema: ‘De moeizame architectonische eenwording van Nederland’. Von der Dunk laat in zijn boek zien dat in de late achttiende eeuw niet alleen de staatkundige eenheid van Nederland tot stand kwam, maar dat het land ook een culturele eenheid ging vormen. De Nederlandse architectuur sloot vanaf de Patriots-Bataafse tijd bovendien nauwer aan bij de internationale ontwikkelingen. In dit boek heeft de Nederlandse architectuur uit die tijd voor het eerst een grondige studie gekregen. De titel, Een Hollands heiligdom, refereert aan het ontwerp voor een monument voor Hugo de Groot uit 1774. Dat monument is nooit gebouwd, maar het is typerend dat voor De Groot, een held van de Patriotten, een soort Griekse tempel moest worden gebouwd. De nieuwe, op het democratische oude Griekenland geïnspireerde neoclassicistische bouwstijl werd vooral binnen Patriotse kring populair. Die populariteit werd kort daarop nog eens versterkt na de Bataafse revolutie.

Het leggen van een verband tussen bouwstijl en politiek is slechts een van de originele invalshoeken in dit boek. Creatief is Von der Dunk ook in het gebruik van zijn bronnen. Zo betrekt hij de tafelarchitectuur van ceremoniële feestelijke diners van Patriotten en Bataven in zijn betoog. De opgediende suikerwerken kregen eveneens een neoclassicistische vorm. Dit nieuwe `Patriotse bouwen', zoals de auteur het noemt, doorbrak de traditionele scheidslijnen tussen de provincies van de Republiek der Verenigde Nederlanden. De bouwstijl van woonhuizen en openbare gebouwen, zoals stadhuizen en kerken, was eeuwenlang bepaald geweest door plaatselijke meestertimmerlieden en stadsbouwmeesters. Dat regionale karakter werd nu doorbroken. Op de prijsvragen die in het laatste kwart werden uitgeschreven, bijvoorbeeld voor het ontwerp van een nieuw stadhuis in Groningen, kwamen inschrijvingen uit het hele land en zelfs daarbuiten. Von der Dunk noemt dit het begin van de metamorfose van de Nederlandse architectuur. Hij ziet hier ook een begin van professionalisering, een thema dat en passant ook door hem behandeld wordt. Deze ontwikkeling mondde in het begin van de negentiende eeuw uit in de verbetering van het bouwkundig onderwijs onder koning Lodewijk Napoleon. Vanaf toen sloot de Nederlandse bouwkunst definitief aan bij de internationale architectuur.

Naast het schetsen van grote lijnen en het leggen van originele verbanden, bevat het boek ook een aantal deelstudies, zoals over de bouw van het Hofje van Teyler in Haarlem, de kerktoren van Nijkerk en de Beurs van Schiedam. Het boek biedt veel informatie over weinig bekende gebouwen en architecten. Natuurlijk gebeurt dat met gebruik van tal van architectonische termen, van fronton en festoen tot portico en pilaster, maar toch is het boek goed leesbaar dankzij de soepele stijl van de schrijver, die soms meer naar de rijkdom van het rococo neigt dan naar de eenvoud van het classicisme. Een Hollands heiligdom is, kortom, een belangrijke bijdrage tot de Nederlandse cultuurgeschiedenis, waarin met originaliteit en creativiteit een weinig bekend onderdeel op de kaart is gezet.

Commissie van voordracht: Rudolf Dekker (voorzitter), Jeroen Salman, Peter Sigmond, Tom Verschaffel en Boudien de Vries

Zie voor een reactie van de laureaat:

 
Video
 

Oproep Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2012

Om de drie jaar wordt, beurtelings voor een werk dat zich beweegt op het gebied van a. essays en literaire kritiek b. cultuurgeschiedenis door het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde de dr Wijnaendts Franckenprijs toegekend. In 2012 zal deze prijs beschikbaar zijn voor een studie op het gebied van de Cultuurgeschiedenis, geschreven en gepubliceerd in Nederlands proza in de periode 2006-2011. De hoogte van de prijs bedraagt 2.500 euro.

De jury, bestaande uit dr R.M. Dekker (voorzitter), dr B. de Vries, dr T. Verschaffel, dr J. Salman en dr J.P. Sigmond, roept uitgevers op titels van publicaties verschenen in de afgelopen zes jaar voor deze prijs in te zenden naar het secretariaat van de Maatschappij van de Nederlandse Letterkunde, postbus 9051, 2300 RA Leiden.
(Inzenden bij voorkeur vóór 15 augustus 2011)

Voor meer informatie over de dr Wijnaendts Franckenprijs die sinds 1937 beschikbaar wordt gesteld: website Maatschappij van de Nederlandse Letterkunde of MNL@library.leidenuniv.nl

 

Henriette Roland Holst-prijs 2011 voor Tom Lanoye

Advies van de commissie van voordracht

Voor Henriette Roland Holst was goede literatuur geëngageerde literatuur. En over de definitie van geëngageerde literatuur had ze geen twijfels. ‘Een krachtige, bloeiende literatuur’ - aldus haar reactie op kritiek van de ‘estheet’ Willem Kloos - ‘kan niet bestaan tenzij zij proletarisch wordt.’ Die literatuur was er nog niet, het ging om een te realiseren project van haast bovenmenselijke volmaaktheid. ‘De proletarische literatuur zal (...) vereenigd bezitten de hooge wijsheid van een nooit tevoren bereikt inzicht in de maatschappelijke noodzakelijkheid met de warmte van een maatschappelijk ideaal.’

Deze rotsvaste overtuiging sprak Henriette Roland Holst uit toen ze in 1899 voor het Socialistische Leesgezelschap in Amsterdam sprak over ‘Socialisme en literatuur’, kort nadat ze bevriend was geraakt met Herman Gorter en zij zich op zijn aanraden op de studie van het marxisme had gestort. De ‘burgerlijke kunstenaar’, wist zij, is van dat inzicht in ‘de maatschappelijke noodzakelijkheid’ en dus van dat ideaal verstoken, daarom zal hij noodgedwongen de schoonheid zelf tot ideaal verheffen. Alleen voor de socialistische kunstenaar is ‘de diepste zin van het leven niet de kunst, maar den opgang van nu tot de schoonheid van morgen.’

Een eeuw geleden werkten deze hoogdravende woorden kennelijk niet op de lachspieren. In revolutionaire kring was men er heilig van overtuigd dat de Nieuwe Tijd (ook de naam van het tijdschrift waarin Roland Holst en Gorter veel publiceerden) spoedig zou aanbreken. Dat die Nieuwe Tijd totalitair zou zijn en miljoenen mensen het leven zou kosten, heeft elke heilsleer voorgoed onmogelijk gemaakt. Niettemin beleefde het werk van Roland Holst in de jaren zeventig een bescheiden revival in kringen van linkse letterenstudenten. Sindsdien is er van het proletariaat weinig meer vernomen. De literatuur van de laatste decennia is ontnuchterd, sceptisch, nihilistisch, cynisch, ironisch of realistisch. Idealistisch is ze in elk geval niet.

Maar dat wil niet zeggen dat geëngageerde literatuur per se onmogelijk is geworden. Ze ziet er alleen heel anders uit dan in de tijd van de Grote Verwachtingen. Vrij van elk naïef vooruitgangsgeloof, van ideologische uitgangspunten, van de gerichtheid op een klasse of enig ander collectief, concentreert ze zich op maatschappelijke ontwikkelingen, problemen, conflicten en catastrofen zoals die zich in individuele levens voordoen. Nog altijd, net als in de tijd van Roland Holst, spreekt er uit die literatuur een onvrede met de wereld zoals die is, nog altijd is het perspectief dat van iemand die gelooft dat de mens - althans in principe - meer is dan een nietig, laag en verachtelijk wezen.

 

Een in deze zin hoogst geëngageerde schrijver is Tom Lanoye. Maatschappelijke betrokkenheid was voor hem, van meet af aan, vanzelfsprekend. In alle denkbare literaire genres, en ook buiten de literatuur, als publiek intellectueel, heeft Lanoye zich telkens opnieuw, direct of indirect, ingelaten met het politieke en het culturele debat. Behalve moedig en onvermoeibaar toonde hij zich daarbij welbespraakt en scherp, maar nooit unfair of wraakzuchtig. In zijn verzet tegen defaitisme mag hij een erfgenaam van Roland Holst worden genoemd, niet in zijn houding, zijn stijl, zijn toon, die altijd ook doordrenkt zijn van een lucide speelsheid die dogmatische gelijkhebberigheid uitsluit.

Henriette Roland Holst achtte ‘de verlaging van de kunst tot een spel’ kenmerkend voor ‘de burgerlijke kunstfilosofie.’ Voor zover dat na het subversieve optreden van surrealisten en dadaïsten nog nodig was, laat Tom Lanoye overtuigend zien dat die opvatting achterhaald is.  Bij hem is het spel juist een middel om te experimenteren met andere bestaansmogelijkheden. In het spel ontsnapt hij aan de deprimerende routines van het alledaagse, belichaamt hij alternatieven op de meest tastbare manier, fysiek en zintuiglijk.

In dat opzicht lijkt Hugo Claus zijn leermeester. Dat de slogan ‘Less is more’ in onze letteren zoveel opgang heeft gemaakt, ziet Lanoye, eveneens in het spoor van Claus, als een ziektebeeld, ‘genaamd literaire anorexia nervosa’. Generositeit is het tegengif. Angst voor verbale overdaad is hem net zo vreemd als de gastronomische overdaad in huize Lanoye, die hij allersmakelijkst en oerkomisch beschrijft. Soms heeft hij zelfs iets van een Vlaamse Rabelais.

 

Het oeuvre van Tom Lanoye is nauwelijks nog te overzien. Vast staat dat de roman Sprakeloos uit 2009 tot de hoogtepunten behoort. Het is, na onder meer zijn grote Belgische trilogie, weer een autobiografisch boek, dat in talrijke opzichten aansluit op zijn twee vroege autobiografische romans, Een slagerszoon met een brilletje (1985) en Kartonnen dozen (1991). Dat hij drie jaar met de plannen voor Sprakeloos heeft rondgelopen voor hij aan de uitwerking toekwam, moet óók te maken hebben gehad met het besef dat er ditmaal meer dan ooit op het spel stond: een van pijn en verdriet maar ook van liefde en trots doortrokken portret van zijn moeder.

Het fotootje van zijn moeder op het voorplat van het boek is veelzeggend. Je zou er niet gauw een hardwerkende Vlaamse slagersvrouw en moeder van vijf kinderen in vermoeden, eerder een Engelse dame van stand uit lang vervlogen tijden. En dat was ze óók, of liever: dat speelde ze. Toen ze haar man eeuwige trouw beloofde en zich blijmoedig en vol overgave schikte in haar rol van slagersvrouw, deed ze dat op één voorwaarde: ‘dat ge mij nooit mijn toneel afpakt, ik moet iets hebben om mij uit te leven.’ Dat heeft ze vervolgens haar hele leven gedaan, zelfs nog in het verpleeghuis, nadat ze was getroffen door een dubbele hersenbloeding die haar van haar taal, haar verstand, haar trots en ten slotte haar laatste resten waardigheid had beroofd.

Acteren was voor haar geen zondags verzetje, het was de grondhouding van iemand die waar en wanneer dan ook van het leven meer wilde maken dan het schijnbaar te bieden had. Ze acteerde niet alleen op de planken; ook als er in de slagerij een nagenoeg onuitvoerbare opdracht binnenkwam vroeg ze niet naar moeite of inkomsten, ze maakte er een fantastisch kunstwerk in oneindig veel bedrijven van dat iedereen met stomheid sloeg. Acterend werkte ze aan haar eigen niveau en tegelijk aan de optimalisering van het alledaagse bestaan. En dat heeft de zoon al heel jong van haar geleerd.

Aanvankelijk lijkt Sprakeloos nog het meest op een aaneenschakeling van groteske taferelen, een schelmenroman in de beste Vlaamse traditie. Gaandeweg blijkt het, ook structureel, veel meer dan dat. Sleutelscènes in het verhaal - het moment van totale ontreddering bij de eerste hersenbloeding, de hartverscheurende coming out van de zoon - worden telkens opnieuw aangestipt, afgebroken en, na een stortvloed van associatief verbonden uitweidingen, hernomen, waardoor het boek tegelijk een hechte compositie en diverse sterke spanningsbogen krijgt.

In scènes als deze bewijst Lanoye zijn toneelervaring. Als het erop aankomt weet hij als geen ander wat hij moet weglaten of verstoppen om de grootst mogelijke betrokkenheid op te roepen. Dat talent heeft hij van zijn moeder, en dat steekt hij niet onder stoelen of banken. De dankbaarheid daarvoor blijkt uit elke regel van dit boek, dat misschien nog het best als een onvergetelijk standbeeld in taal kan worden getypeerd.

 

Op grond van deze overwegingen stelt de commissie van advies unaniem voor de Henriette Roland Holst-prijs 2011 toe te kennen aan Tom Lanoye voor zijn roman Sprakeloos.

 

Juryleden: Cyrille Offermans, Jacqueline Bel, Luc Devoldere

 

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2011 voor Lieke Marsman

Advies van de Commissie voor schone letteren

In ‘Zelfde liedje’, een gedicht over vallen en opstaan uit de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud van Lieke Marsman, komen de volgende regels voor: ‘Gisteren zei iemand me dat je, om mooi te schrijven, / afwisselend moet zijn.’ Het is al te makkelijk deze woorden tot poëticaal programma te  verheffen, maar mooi schrijven is kennelijk een ambitie. In vele gedichten wordt dan ook gedacht over het gebruik van taal en de indruk die daardoor wordt gewekt. ‘Wat dies meer zij is een kloeke manier om te laten zien / dat je best je archaïsche trukendoos beheerst’, valt bijvoorbeeld te lezen in ‘Vrienden en wat dies meer zij’. Ook brengt de dichteres het creatieve proces treffend in beeld: ‘maar ik kan door alle bomen het bos zien, / omdat ik achter alles iets verzin.’ Haar ultieme ambitie lijkt vooralsnog achter de horizon te liggen, getuige de volgende regels: ‘Toen ik achtenzestig werd, schreef ik mijn eerste gedicht over / de liefde waarin ik niet hoefde te vergelijken met dieren of / planten (...).’ Het is ontroerend, maar vooral knap, dat deze jonge dichteres zich bewust is van haar jeugdige leeftijd, maar daar tegelijkertijd betekenisvol over kan schrijven.

Het openingsgedicht van de bundel, ‘Vasthoudendheid’, laat veel zien van Lieke Marsmans dichterschap. Het is een fantasievolle monologue intérieur van iemand die geplaagd wordt door slapeloosheid.

 
(...) Of het is zo
 
dat je niet weet waar je moet kijken, omdat alles
 
voor je ogen zo rood is. Je ogen zijn rood, omdat
 
iemand heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en
 
dat heeft je geraakt. Het fijne aan geraakt worden
 
is dat het niet lang hoeft te duren om lang
 
te blijven duren. (...)

Het malen van de gedachten wordt fraai verbeeld door de woordherhaling: ‘ogen’, ‘rood’, ‘geraakt’ en ‘duren’. Het past bij dit dwangmatige denken dat het gedicht een cyclische bouw heeft die ook de bundel als geheel kenmerkt. ‘Donker’, een toepasselijke titel voor een slotgedicht, gaat eveneens over iemand die slapeloos ligt te denken. Het gedicht eindigt met de wens: ‘Slaap, stop mij toe, / toe laat mij gaan.’  De cirkelvorm komt een aantal malen terug in de bundel en het verbaast niet dat een ik-figuur in één van de gedichten een vierkant wil tekenen, maar ‘automatisch’ een cirkel produceert.

De gedichten in Wat ik mijzelf graag voorhoud lijken vaak op monologen en hebben geen vaste vorm. Het zijn proza-achtige teksten met vaak breed uitwaaierende regels. Toch moet de poëtische vaardigheid van Lieke Marsman niet worden onderschat. Zo simuleren de enjambementen in ‘Vasthoudendheid’ het eindeloos doorgaande malen van de hersenen. En een abrupte overgang in het gedicht ‘Sneeuwuilen’ (‘Zo sta je opeens // in een bos bij Berlijn een uil na te doen (...)’) wordt slim ondersteund door na ‘opeens’ een witregel in te lassen.

Er wordt veel nagedacht in Wat ik mijzelf graag voorhoud. De werkelijkheid wordt niet rechtstreeks beschreven, maar vormt het uitgangspunt voor gedachten en voorstellingen. Dit gebeurt met een zekere mate van terloopsheid, die onder meer tot uiting komt in de titel ‘Ondertussen’, die twee keer in de bundel wordt gebruikt. Van vrijblijvendheid is echter geen sprake,al helemaal niet waar de poëzie in het geding komt. In het eerste gedicht met de titel ‘Ondertussen’ wordt een sneeuwlandschap geëvoceerd:

 
(...) Als ik er opkijk ken ik
 
de namen van alle planten van buiten, over hen
 
zal ik zingen in dwarrelende tonen
 
totdat ze niet langer bedekt zijn. (...)

Poëzie heeft hier het vermogen tot onthulling, paradoxaal genoeg via ‘dwarrelende tonen’, die in de gegeven context onvermijdelijk de associatie oproepen met sneeuwvlokken. (De paradox is allerminst vreemd aan de poëzie van Lieke Marsman.) De drie slotstrofen van het gedicht, steeds beginnend met de aankondiging ‘Ik zal zo hard zingen / dat (...)’, drukken  vertrouwen uit in de poëzie en het dichterschap.

De thematiek van reflectie en zich voorstellingen maken van de wereld kan licht resulteren in loodzware gedichten, waarin vooral de eigen navel object van studie is. Dit gevaar wordt echter succesvol afgewend door een nuchterheid die vaak uiterst humoristisch is. Het gedicht ‘New York’ eindigt bijvoorbeeld met de verleiding van de ik-figuur (‘een / televisiegezicht trekt mijn broek al naar beneden’), waarna een pathetische uitspraak die zij doet, wordt gerelativeerd door de prozaïsche gedachte ‘(...) Oh Gut / heb ik de koelkast / wel dichtgedaan.’ Prachtig is ook de onvoltooide zin: ‘Toen mijn hoofd er uit zag als een hond en ik de behoefte niet voelde / om met me door de stad te lopen’.

Wat ik mijzelf graag voorhoud is opgebouwd uit afdelingen en cycli, iets wat voor de hand lijkt te liggen bij een poëzie die zo hardnekkig wordt ingezet om greep te krijgen op de wereld. Meestal lukt dit niet, maar als zo vaak leveren de mislukkingen de fraaiste resultaten op. Steeds worden de opgestelde hypothesen, waarin filosofie en speelsheid een harmonische relatie aangaan, ontkracht.

Bij alle onzekerheid blijft één ding onaantastbaar overeind staan: het eigen dichterschap. Het gedicht ‘Soms moet dat’ eindigt aldus:

 
als men vraagt waarom schrijf je
 
in hemelsnaam nog gedichten antwoord dan
 
omdat mensen niet onder mijn tong
 
blijven liggen omdat je gedichten stil
 
kunt laten staan als een luisterend oor
 
tegen je schokkende borstkas omdat poëzie
 
aan je ribben is gaan rusten en
 
een verband heeft aangelegd
 
met jouw verhaal.

Treffend is het woordje ‘nog’ dat suggereert dat gedichten schrijven een verouderde bezigheid is, dan wel iets voor kinderen of pubers. Maar poëzie, zo luidt het antwoord, geeft stem aan anderen en is intiem, zelfs lijfelijk, verbonden met het eigen bestaan.

Met haar gedichten trekt de dichteres op overtuigende wijze de consequenties uit deze stellingname. Door de eigenzinnige visie op de wereld, de beheersing van de poëtische trukendoos en het geloof in de poëzie, waarbij humor en zelfspot niet ontbreken, biedt haar debuutbundel uitzicht op een authentiek dichterschap. Het is om die reden dat de jury zonder aarzeling en unaniem Wat ik mijzelf graag voorhoud van Lieke Marsman voordraagt ter bekroning met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2011.

 

Juryleden: Elke Brems, Kester Freriks, Micha Hamel, Ingrid Hoogervorst en Gerard Raat

 

Frans Kellendonk-prijs 2011 voor Arnon Grunberg

Advies van de Commissie van voordracht

Bij haar zoektocht naar kandidaten voor de Frans Kellendonkprijs 2011 ging de jury op zoek naar schrijvers onder de veertig van wie het werk kan worden gezien als een hoogwaardig oeuvre in wording, dat getuigt van een maatschappelijke problematiek. Al vrij spoedig werd het haar duidelijk dat Arnon Grunberg (*1971) de ideale kandidaat was.

Grunberg is de auteur van een even gevarieerd als geprononceerd oeuvre dat zich uitstrekt tot genres als de roman, het drama, het essay, de column, de reportage en het weblog. In al die genres manifesteert hij zich als een kritisch en onafhankelijk waarnemer en analist, die zijn standpunten op even scherpe als creatieve wijze uitdraagt en daarbij de confrontatie en controverse niet schuwt. Zo profileert hij zich in De mensheid zij geprezen : Lof der Zotheid (2001) als een scherp observator van de mensheid en zijn drijfveren, waarbij hij bovendien een grote kennis aan de dag legt van literatuur en filosofie.

Grunbergs levensvisie is het pregnantst neergelegd in de onder het pseudoniem Marek van der Jagt geschreven roman Gstaad 95-98 en de onder eigen naam gepubliceerde romans De asielzoeker (2003), Tirza (2006) en Onze oom (2008). Ze nemen de lezer nolens volens mee bij de ontluistering van de personages, die tot in hun diepste kern worden ontdaan van alle laagjes beschaving. In een aforistische stijl fileert Grunberg de menselijke drijfveren.

Al vormen bovengenoemde romans en het op Erasmus georiënteerde essay de voornaamste aanleiding voor deze voordracht, het is ook de ontwikkeling van Grunbergs schrijverschap in zijn geheel die ons in staat stelt, hem als een waardige erfgenaam van Kellendonks intellectuele spitsvondigheid en uitzonderlijk literair talent te beschouwen. Zijn reportages als oorlogscorrespondent in Irak en Afghanistan, recent gebundeld in Kamermeisjes en soldaten (2009), zijn onlosmakelijk met die ontwikkeling verbonden en blijken uiterst vruchtbaar te zijn geweest voor het romanoeuvre.

Arnon Grunberg maakte in zijn leerjaren als schrijver furore als de trendbewuste auteur van tragikomische Bildungsromans die door hun provocerende toon aan het verwachtingspatroon van de jonge lezer zullen hebben beantwoord: in Figuranten bijvoorbeeld werd in een bonte aaneenschakeling van burleske fragmenten verteld over de groteske lotgevallen van een drietal hedendaagse ‘titaantjes’, die zowel letterlijk, door hun nonchalante pogingen om in de film- en mediawereld voet aan de grond te krijgen, als figuurlijk, door hun buitensporig en vaak wansmakelijk gedrag, de bourgeois en diens bekrompen moraal voor schut trachten te zetten.

In een volgend stadium op weg naar volwaardig schrijverschap biedt de auteur in Tirza een hecht geconstrueerd, veelgelaagd verhaal over de schizofrenie van een doorsnee West-Europeaan in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw. Terecht hebben critici gewezen op aanknopingspunten met Kellendonks meesterwerk Mystiek lichaam: de hoofdpersoon Jörgen Hofmeester bijvoorbeeld, heeft in zijn hoedanigheid van geldwolf, ziekelijke narcist en dominante vaderfiguur veel weg van Kellendonks Gijselhart. We wijzen er in dit verband graag op dat het onder het pseudoniem Marek van der Jagt geschreven essay Otto Weininger of Bestaat de Jood? een bijzonder originele en snijdende interpretatie van Mystiek lichaam bevat. Op zijn beurt biedt de Kellendonklezing, door Grunberg in 2007 uitgesproken, sleutels voor de interpretatie van Tirza: de auteur keert zich daar tegen ‘de ziekte die enkelvoudige identiteit heet’ en legt de vinger op de wonde plek van het slachtofferschap waarachter de doorsnee westerling zich al te gretig verschuilt om zijn middelmatigheid te verbergen of goed te praten. Dit zijn precies de eigenschappen die de anti-held Hofmeester typeren en die gedeeltelijk verklaren waarom hij zijn lievelingsdochter Tirza en haar Marokkaanse vriend Choukri op gruwelijke wijze vermoordt. De groteske associatie door Hofmeester van Choukri met de moslimterrorist Mohammed Atta en de manier waarop hij een verdwijning van dochter en vriend ensceneert om de verantwoordelijkheid voor zijn mislukte huwelijk en carrière te ontlopen, spreken boekdelen over de paranoia van de blanke middenklasse. Door het perspectief doorgaans bij Hofmeester te leggen slaagt Grunberg er op meesterlijke wijze in om de spanning ten top te voeren wanneer aan het slot van de roman blijkt hoe radicaal Hofmeesters zedelijk verval en zelfvervreemding is geweest. In het voetspoor van Frans Kellendonk schreef Grunberg een groots opgezette, klassieke roman die de hypocriete moraal en het gewelddadige substraat van onze zogenaamd liberale samenleving meedogenloos ontmaskert. Daarvoor én voor de rijkgeschakeerde compositie van deze roman, die onder meer opvalt door tal van intertekstuele verwijzingen naar zowel de Bijbel, als naar subliteraire genres (de soap bijvoorbeeld), verdient hij alle lof.

Augustus 2010

  • Dorian Cumps
  • Jaap Goedegebuure
  • Jeanne Verbij-Schillings (vz.)