Nieuws en Mededelingen


Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2015 voor Joep Leerssen

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2015 toegekend aan Joep Leerssen voor zijn essayistisch geschreven boek Spiegelpaleis Europa (Uitgeverij Vantilt). De prijs zal op 26 september 2015 te Leiden worden uitgereikt.

 

Uit het advies van de Commissie van voordracht:

 

‘Het woord ‘ik’ komt weinig voor in Spiegelpaleis Europa. Toch zit de schrijver in alle hoeken en gaten. Het is voelbaar hoe hij min of meer chronologisch, dat wel, van de hak op de tak springt, parallellen trekt, knoopjes legt en doorgaat op wat hem relevant lijkt voor zijn betoog. Het resultaat is een onderhoudend, prikkelend associatief boek over een hoogst actueel onderwerp. Eigenlijk is er maar één alles zeggend adjectief van toepassing bij een boek met deze titel: briljant.’


Kruyskamp-prijs 2015 voor Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Kruyskamp-prijs 2015 toegekend aan Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar voor de editie van het Woordenboek van het Algemeen Onbeschaafd Nederlands (Uitgeverij Unieboek – Het Spectrum BV). De prijs zal op 26 september 2015 te Leiden worden uitgereikt.

 

Uit het advies van de Commissie van voordracht:

 

‘Met die grondige lexicografische aanpak zet het Woordenboek van het Algemeen Onbeschaafd Nederlands een nieuwe standaard in de beschrijving van de informele woordenschat. Het kan beslist een voorbeeldfunctie hebben voor toekomstige inventarisaties van andere lexicale subdomeinen. Dat blijkt eens te meer uit de inleiding, waarin de auteurs hun lexicografische keuzes op een toegankelijke manier verantwoorden en met treffende voorbeelden illustreren.


Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2015 voor Hanneke van Eijken

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2015 toegekend aan Hanneke van Eijken voor haar dichtbundelbundel Papieren veulens (Uitgeverij Prometheus). De prijs zal op 26 september 2015 te Leiden worden uitgereikt.

 

Uit het advies van de Commissie van Schone Letteren:

 

‘Een gedicht van Hanneke van Eijken maakt niet de indruk van een schot hagel, maar eerder van een flinterdunne pijl. Voortdurend loopt zij het risico te missen: één rukwind, één verkeerde beweging is al voldoende. Maar gelukkig treft Van Eijken vaak doel. Zo beschrijft zij een aantal merkwaardige manieren om te sterven: het drinken van een fles parfum, vallende kokosnoten. Echter, in plaats van te kiezen voor een overdadige opsomming met voor de hand liggende komische effecten, weet zij het gedicht op de valreep extra scherpte te geven. Terug naar het dagelijks leven, met alles wat daarin niet te bezweren valt: ik slaap vaak met een gevarenhamer / aan een touwtje / om mijn nek.’


Dagboek Maurits Jacob van Lennep gedigitaliseerd

Het omvangrijke dagboek van Maurits Jacob van Lennep (1830-1913) is een goudmijn voor onderzoekers van de negentiende eeuw, met name als het gaat om roddels over de betere kringen. Maurits van Lennep was een zoon van de bekende romanschrijver, historicus en rijksadvocaat Jacob van Lennep. Hijzelf was onder meer advocaat in Amsterdam, later rijksadvocaat, officier van justitie, raadsheer bij het gerechtshof in Amsterdam en lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Hij hoorde tot de hoogstaangeslagenen in Noord-Holland. Een deel van zijn kapitaal zal ingebracht zijn door zijn vrouw, Carolina van Loon, die tot een van de meest vooraanstaande families van Amsterdam hoorde. Hij woonde een paar jaar in Nijmegen, maar het grootste deel van zijn leven bracht hij door in Amsterdam. Daar woonde hij op stand: op de Prinsengracht bij de Amstel. Aan het eind van zijn leven reisde hij veel.

Het dagboek wordt bewaard in het Stadsarchief van Amsterdam en het is daar gedigitaliseerd, maar de digitale versies van het Stadsarchief zijn niet doorzoekbaar (PA 238 537-540). Bij de familie Van Lennep wordt een volledig typoscript van het dagboek bewaard dat een kleindochter van Maurits Jacob gemaakt heeft. Door de medewerking van de Stichting Van Lennep en Ewoud Sanders heeft Marita Mathijsen ervoor kunnen zorgen dat dit document nu in een pdf en een (ingelezen) word-bestand op internet beschikbaar is gekomen voor iedereen.

Zie hiervoor:

http://www.negentiende-eeuw.nl/nieuws/dagboek-maurits-jacob-van-lennep-gedigitaliseerd/

en

http://vanlennep.nl/dagboeken/


Bijeenkomst Wetenschap als verhaal

Op vrijdag 29 mei 2015 organiseert de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een bijeenkomst met als thema ‘Wetenschap als verhaal’. Iedere academicus zet literaire middelen in bij het verspreiden van zijn wetenschappelijke bevindingen en gedachten, maar niet iedereen doet het even enthousiast of geslaagd. Er lijkt schroom te bestaan om de wereld van de feiten in pakkende taal vorm te geven. Of is die schroom verleden tijd?

Onder leiding van Barber van de Pol zullen vier prominente academici - Thomas von der Dunk, Dirk de Geest, Abram de Swaan en Natascha Veldhorst - na een kort maar krachtig statement met elkaar in discussie gaan. Ook de zaal wordt uitgenodigd een bijdrage aan de discussie te leveren.

Vrijdag 29 mei 2015

Klein Auditorium, Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden

Aanvang: 15.00 uur

 

Uitnodiging tot bijwoning van de Laureatenmiddag

Lipsius-gebouw, Cleveringaplaats 1, Leiden

20 september 2014

14.00 uur

met Remieg Aerts - Job Cohen - Jeroen Dera - Esther Gerritsen - Sander Kollaard - David Van Reybrouck - Wim Vandenbussche - Roland Willemyns

Om de beoefening van de Nederlandse taal, letterkunde en geschiedenis te bevorderen reikt de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde elk jaar een aantal prijzen uit aan talentvolle schrijvers. Dit jaar gaat de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs naar Sander Kollaard voor zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. De Henriette Roland Holst-prijs is toegekend aan David Van Reybrouck voor zijn boek Tegen verkiezingen. Esther Gerritsen krijgt de Frans Kellendonkprijs voor haar gehele oeuvre. En de Prijs voor Meesterschap is toegekend aan Roland Willemyns, eveneens voor zijn gehele oeuvre.

Esther Gerritsen heeft haar prijs in ontvangst genomen op 24 februari jl. Sander Kollaard, David Van Reybrouck en Roland Willemyns krijgen hun prijzen uitgereikt tijdens de Laureatenmiddag. Er wordt dan een programma gepresenteerd rond het werk van de vier laureaten.

U bent van harte welkom om de middag bij te wonen.

Bijwoning van de Laureatenmiddag is gratis.

 Programma
13.30Inloop met koffie/thee
14.00 Verwelkoming door Wijnand Mijnhardt, voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
14.05 Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs
 juryrapport door Kester Freriks
 interview met Sander Kollaard door Jeroen Dera
14.40 Henriette Roland Holst-prijs
 juryrapport door Perry Moree
 David Van Reybrouck in debat met Job Cohen o.l.v. Remieg Aerts
15.15Pauze met koffie/thee
15.30Frans Kellendonk-prijs
 film Op 't nachtkastje. Esther Gerritsen door Dopplmeister
 Esther Gerritsen leest voor uit eigen werk
16.05Prijs voor Meesterschap
 juryrapport door Nicoline van der Sijs
 interview met Roland Willemyns door Wim Vandenbussche
16.40 Receptie

Gelieve u wel aan te melden voor 15 september 2014 bij de secretaris van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, dr. B.P.M. Dongelmans, via mnl@library.leidenuniv.nl

 

Bijeenkomst Literatuur en ‘wij’

Zaterdag 24 mei 2014

Klein Auditorium, Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden

Aanvang: 14.00 uur

 

Op zaterdag 24 mei 2014 organiseert de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een bijeenkomst die als titel draagt:

Literatuur en ‘wij’

Sprekers zijn:

Kevin Absillis - Dirk van Bastelaere - Thierry Baudet - Mano Bouzamour

Speelt literatuur nog een rol bij de vorming van een wij-gevoel? En is het eigenlijk nog wel aan de literatuur om die rol te spelen? Betreft het dan een morele plicht van de individuele schrijver? Of moeten we een en ander beschouwen als een laatste kans voor de literatuur om iets meer te zijn dan slechts koopwaar?

Door de tijden heen is het literaire medium altijd bijzonder bruikbaar gebleken om gemeenschappen te verbeelden en collectieve identiteiten te definiëren: de stadstaat Athene, de wereld van de oude Grieken en de wereld van de Romeinen, het christelijke westen, koninkrijken, natiestaten, sub-nationale, regionale en lokale gemeenschappen, Europa,... een wereldomvattende republiek van verlichte burgers.

Maar hoe zit dat vandaag, in onze multimediale cultuur en in tijden van globalisering?

Helpt literatuur bijvoorbeeld de moderne natiestaat ten grave te dragen om zo de weg vrij te maken voor supranationale politieke entiteiten? Of is literatuur juist een medium dat weerstand biedt - of kan bieden dan wel moet bieden -- tegen Europeanisering en globalisering?

 

Is literatuur eigenlijk nog wel krachtig genoeg om gemeenschappen te verbeelden?

Delft literatuur niet bij voorbaat het onderspit tegen film en televisie, en tegen het digitale informatieoffensief? Zorgen die media niet voor een onstuitbare versplintering van collectieve identiteiten? En wat mogen we anderzijds van het literaire medium verwachten als het erom gaat collectieve identiteiten vooral niet te statisch, homogeen en exclusief te definiëren?

Kan literatuur ons helpen om globaal te denken, lokaal te handelen en open te blijven staan voor wat niet strookt met intussen verworven identiteiten?

Over deze en nog tal van andere kwesties debatteren onder leiding van Aleid Truijens vier schrijvers met een uitgesproken mening over deze brandende literaire kwestie:

Kevin Absillis, auteur van o.a. Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970) en medesamensteller van de opstellenbundels De manke usurpator: over Verkavelingsvlaams en De plicht van de dichter: Hugo Claus en de politiek

Dirk van Bastelaere, auteur van o.a. Wwwhhooosshhh: over poëzie en haar wereldse inbedding en medesamensteller van de bloemlezing Hotel New Flandres

Thierry Baudet, auteur van o.a. De aanval op de natiestaat en Oikofobie: de angst voor het eigene en medesamensteller van de opstellenbundels Conservatieve vooruitgang en Revolutionair verval

Mano Bouzamour, auteur van De belofte van Pisa

 

Einde circa 16.00 uur. Aansluitend is er een receptie in het Academiegebouw.

TOEGANG: GRATIS

Het Academiegebouw is in ca. 15 minuten te voet te bereiken vanaf het Centraal Station Leiden (route: Stationsweg, Steenstraat, Prinsessekade, Kort Rapenburg, Rapenburg). In de onmiddellijke omgeving van het Academiegebouw is de parkeergelegenheid beperkt. Aangeraden wordt gebruik te maken van een van de parkeergarages of -terreinen die de gemeente bij de toegangswegen tot de stad heeft aangegeven. Parkeren in garages is in Leiden goedkoper dan parkeren op straat. Op het populaire parkeerterrein Haagweg 6 (dag en nacht geopend) bedraagt het tarief voor maximaal twee uur parkeertijd € 4,00, maximaal vier uur parkeertijd € 7,00, voor maximaal vijf uur parkeertijd € 9,00 en voor een dagkaart € 12,00. Busjes vervoeren de bezoekers gratis van en naar het stadscentrum.

 

Prijs voor Meesterschap 2014 voor Roland Willemyns

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft op 20 maart 2014, overeenkomstig het advies van de Commissie voor taal- en letterkunde, besloten de prijs voor Meesterschap 2014 toe te kennen aan prof. dr. Roland Willemyns

Advies van de Commissie voor taal- en letterkunde

De Commissie voor taal- en letterkunde stelt het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor de Prijs voor Meesterschap in 2014 toe te kennen aan prof. dr. Roland Willemyns voor diens gehele wetenschappelijke oeuvre. Haar voorstel berust op de volgende overwegingen.

Roland Willemyns (Diksmuide, 1943) is emeritus gewoon hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Vrije Universiteit Brussel. Zijn wetenschappelijke loopbaan begon in 1961 met een studiekeuze voor Germaanse filologie aan de Université Libre de Bruxelles. Hij kwam er op het pad van de dialectologie en de historische taalkunde onder de vleugels van zijn leermeester Adolphe van Loey. Deze eminente grand old man van de medioneerlandistiek begeleidde zowel Willemyns’ scriptie over de woordenschat voor ‘de pit van een peer’ in West-Vlaamse dialecten, als zijn doctoraat over het vijftiende- en zestiende-eeuwse Brugs. Het proefschrift getiteld ‘Bijdrage tot de studie van de klankleer van het Brugs op het einde van de Middeleeuwen’ werd in 1968 bekroond door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Na een postdoctoraal traject bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek werd Willemyns in 1974 voltijds docent aan de Vrije Universiteit Brussel, zes jaar later gevolgd door de promotie tot gewoon hoogleraar (een ambt dat hij tot zijn emeritaat in 2008 bleef bekleden).

 

De loopbaan die Roland Willemyns nadien ontplooide wordt gekenmerkt door een bijzondere veelzijdigheid en een verregaande invloed op de neerlandistiek in binnen- en buitenland. Hij maakte school in diverse takken van de taalkunde met een coherent oeuvre van briljante publicaties. Bovendien combineerde hij een sterke sociale bewogenheid met een groot engagement in de geïnstitutionaliserde neerlandistiek. Het samengaan van al die kwaliteiten in één persoon is een indrukwekkende krachttoer en de Commissie erkent dan ook uitdrukkelijk het onbetwiste meesterschap dat hieruit spreekt.

Willemyns’ carrière begon als medioneerlandicus en dialectoloog. Hoewel die klassieke combinatie (met ook historische grammatica) nog typerend was voor de Germaanse filologie in de jaren zestig van de vorige eeuw, verried zijn jonge wetenschappelijke werk al een duidelijke voorkeur voor nieuwe en onontgonnen paden in het vak. Zo bezorgde hij als jonge vorser onder meer de uitgave van een door hem teruggevonden handschrift van de zestiende-eeuwse Bruggeling Willem Weydts en zocht hij aansluiting bij de prilste digitale revolutie in de dialectgeografie.

Toen de wetenschappelijke paradigma’s in de taalkunde ongeveer op hetzelfde ogenblik een ommekeer ondergingen, was Willemyns bij de eersten in de Lage Landen om de opkomende sociolinguïstiek voluit mee vorm te geven. Hij gaf de variationistische theorieën van Labov en de taalsociologie van Fishman in bepalende mate een plaats in de studie van de Nederlandse taal, zonder daarom de klassiekere onderzoekslijnen in zijn curriculum te verloochenen. Vanuit die voortrekkerspositie drukte hij zijn blijvende stempel op de studie van taalverandering en taalcontact in ons taalgebied, en in het verlengde daarvan ook op de ontwikkeling van inzichten in taalplanning en taalpolitiek in Nederland en België.

Beslist bijzonder is de wijze waarop het uitwaaieren van die expertise steevast gepaard ging met een verbreding en verdieping van zijn bestaande onderzoeksportfolio. Willemyns’ introductie van de historische sociolinguïstiek in ons taalgebied mag de recentste illustratie heten van zijn blijvende veelzijdigheid. Bij dit alles was hij ook nog een van de prominentste taalhistorici van het Nederlands en de Germaanse talen, en herhaald chroniqueur van de Nederlandse taalgeschiedenis.

De wetenschappelijke ontwikkeling van de neerlandistiek in binnen- en buitenland heeft Willemyns onmiskenbaar mee vorm gegeven tijdens de vier voorbije decennia. Vooral die extramurale invloed is opmerkelijk: hij was een van de eersten die lokale taalkundige onderzoeksthema's echt internationaal op de kaart zette. Willemyns ging onmiskenbaar voorop in het breken met de vastgeroeste idee dat een neerlandicus of dialectoloog per definitie enkel voor een lokaal publiek werken kon (hoe evident dat voor een jonge taalkundige vandaag ook zijn mag). De klassieke ‘internationale’ publicatiekring van de dialectologie en de filologie bleef lang beperkt tot de Duitstalige wereld, maar toen samen met de paradigma’s in zijn wetenschapsbranche ook de internationale voertaal veranderde, koos Willemyns voluit voor de introductie van neerlandistische thema’s in een Angelsaksische werkomgeving; hij bleef wel ook als een van de weinigen systematisch in het Duits publiceren.

Ook op andere (niet neerlandistische) vakdomeinen was Willemyns’ invloed constant. In het sociolinguïstische en taalsociologische veld was zijn eigenzinnige stem jarenlang toonaangevend, ook op het internationale plan. In Québec kwam het bijvoorbeeld tot een langdurige onderzoekssamenwerking rond taalplanning en taalcontact, waarbij de Belgische en Brusselse casus standaardreferenties werden.

Impact op het vak was er tevens door toonaangevende publicaties die het curriculum van de (inter)nationale neerlandistiek bepaalden. Willemyns’ handboek over ‘Het niet-literair Middelnederlands’ was jarenlang het enige in zijn soort en werd tot in de Verenigde Staten als course book gebruikt.

Dat Willemyns ook op institutioneel vlak mee ‘aan de kar trok’ aan de extramurale neerlandistiek in de jaren tachtig en negentig is meer dan een voetnoot: als voorzitter van de ‘Commissie Buitenland’ was hij het kompas voor het internationale beleid van de Taalunie.

Willemyns verzette niet enkel bakens in de eerder vermelde vakgebieden, maar maakte in de laatste twee decennia van zijn loopbaan ook letterlijk school met een 'stamboom' aan onderzoekers in de historische sociolinguïstiek en de taalplanning. Elk nieuw hoofdstuk van zijn carrière in die domeinen ging gepaard met promotiekansen voor aanstormend jong talent. Zo werd niet enkel de kennis- en expertisetransfer verzekerd naar een nieuwe generatie, maar ook de zo belangrijke uitbouw van een middenkader dat op haar beurt het onderzoek verderzetten en vernieuwen kon, ook over de grenzen van de neerlandistiek heen. Dat diverse buitenlandse onderzoeksteams binnen en buiten Europa vandaag Willemyns’ onderzoekslijnen als blauwdruk gebruiken voor projecten rond sociale taalgeschiedenis, illustreert treffend het succes van die ‘successieplanning’.

Willemyns’ aanzien bij vakgenoten en zijn sturende rol in het wetenschapsbedrijf bleven in beginsel uiteraard gestoeld op de onbetwiste kwaliteit van zijn wetenschappelijke output. Het publicatiedossier is met een 280-tal titels indrukwekkend, zowel wat nationale als internationale bijdragen betreft. Dat laatste is - nogmaals - veelzeggend: Willemyns publiceerde ver buiten de landsgrenzen (zowel in Europa als in de VS en Canada) en in meerdere talen (Engels, Duits, Frans) op een ogenblik dat dit in zijn disciplines allesbehalve vanzelfsprekend was (of verwacht werd). Wars van bibliometrische dwang gebeurde dit bovendien in vooraanstaande vaktijdschriften en boekenreeksen. Editors van belangrijke (inter)nationale naslagwerken over taalvariatie, taalcontact en taalgeschiedenis verzochten hem bovendien gedurende zijn hele loopbaan om de bijdragen over het Nederlands en/of het Nederlandse taalgebied te schrijven.

Die grote en constante wetenschappelijke productie ging in retrospect gepaard met een opmerkelijke interne samenhang. Willemyns’ 'oeuvre' is inderdaad erg consistent in zijn verscheidenheid: over alle specialismen heen schreef hij een coherente, exhaustieve en toonaangevende analyse bij elkaar van de sociale en regionale variatie in het historische en hedendaagse Nederlands. Van dat academische werk verschenen (naast talloze populariserende lezingen) drie syntheses voor een ruimer publiek met Willemyns als (co-) auteur: Het verhaal van een taal (met zes herdrukken nog steeds een van de grootste bestsellers in het genre), Het verhaal van het Vlaams en Het verhaal van het Nederlands. Deze werken werden en worden wijd verspreid gebruikt als handboek - tot en met zijn recentste Engelstalige Dutch: biography of a language (Oxford University Press).

Wie het academische werk van Willemyns als taalkundige overschouwt, ten slotte, kan niet voorbij aan de sociale bewogenheid en de duidelijke taalintegrationistische visie die er als een rode draad doorheen lopen. Onderzoek naar regionale en sociale taalvariatie was onlosmakelijk verbonden met het actief verdedigen en koesteren van talige diversiteit (en van dialecten in het bijzonder), enerzijds, en met de overtuiging dat sociolinguïsten en taalhistorici een cruciale emancipatorische rol te spelen hadden in situaties van taalcontact en taalconflict. Willemyns stond voorop in de verdediging van de Nederlandse standaardtaal als symbool van de talige eenheid van Noord en Zuid én als volwaardige prestigetaal in de heikele taalpolitieke context van België en Brussel. Bij de oprichting van de Nederlandse Taalunie in 1980 werd hij dan ook overtuigd lid (en later bestuurslid) van de Raad voor Nederlandse Taal en Letteren, een engagement dat bijna 20 jaar zou duren. Ook zijn jarenlange bestuursfunctie bij het Instituut voor Nederlandse Lexicologie en zijn werk over de Germaans/Romaanse taalgrens en de Brusselse taalsituatie kaderden expliciet in die actieve taalplanningsvisie, met dien verstande dat wetenschappelijke inzichten voor hem altijd soeverein waren, en zich nooit mochten onderwerpen aan enig politiek belang. Sociaal engagement betekende voor Willemyns overigens ook kansen geven aan aankomende onderzoekers in zijn vakgebied; tien jaar lidmaatschap van de commissie taal- en letterkunde van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen liet hem dan ook toe om zich voluit te engageren voor de carrière van jonge academici.

De commissie weet zich in haar voordracht gesteund door de ruime erkenning voor Willemyns’ meesterschap gedurende zijn loopbaan, zowel binnen als buiten de landsgrenzen. In zijn prille carrière werd hij verkozen tot het jongste lid ooit van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Nadien bekleedde hij ereleerstoelen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk: hij was een van de eerste houders van de P.P. Rubens Chair in Berkeley en mocht ook de Belgian Chair aanvaarden van University College London; aan die laatste instelling hield hij verder de prestigieuze Pieter Geyl Memorial Lecture. De indrukwekkende lijst van gastprofessoraten binnen en buiten Europa omvat aanstellingen in Duisburg, Stanford, Austin, Chapel Hill en Ann Arbor, naast talloze uitnodigingen voor plenaire lezingen. Onder de burgerlijk onderscheidingen verdient zijn benoeming tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau ten slotte beslist een vermelding.

 

Op grond van al deze overwegingen is prof. dr. Roland Willemyns een waardig laureaat voor de Prijs voor Meesterschap van onze eerbiedwaardige Maatschappij, en draagt de Commissie voor taal- en letterkunde hem met unanimiteit voor.

 

De Commissie voor taal- en letterkunde,

in haar opdracht:

(w.g.)

dr. Ronny Boogaart

prof. dr. Wim Vandenbussche

prof. dr. Nicoline van der Sijs

 

Henriette Roland Holst-prijs 2014 voor David Van Reybrouck

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Henriette Roland Holst-prijs 2014 toegekend aan David Van Reybrouck voor zijn boek Tegen verkiezingen (2013). De prijs zal op 20 september 2014 te Leiden worden uitgereikt.

 

Advies van de Commissie van voordracht

Op 28 februari 2014 heeft de ondergenoemde Commissie van voordracht tijdens een vergadering in Utrecht unaniem besloten om het boek Tegen verkiezingen (2013) van de Vlaamse auteur David Van Reybrouck voor te dragen voor de Henriette Roland Holst-prijs 2014. De Commissie verzoekt het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde om instemming met deze voordracht.

Henriette Roland Holst-van der Schalk (Noordwijk 1869-1952 Amsterdam) was behalve dichteres en schrijver een hartstochtelijk socialiste. Zij had contact met Herman Gorter, Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht, was betrokken bij de Nederlandse poging tot revolutie in november 1918, schreef de Nederlandse tekst voor De Internationale en was als orthodox marxiste geruime tijd lid van de voorloper van de Communistische Partij Nederland (CPN). Literatuur diende volgens Roland Holst vooral geëngageerde literatuur te zijn, met als doel de emancipatie van de arbeidersklasse en het verwoorden van de onvrede met de bestaande wereld. Het omvangrijke oeuvre van Roland Holst bestreek vele genres: dichtbundels (al dan niet van socialistische aard), politiek werk (o.a. Kapitaal en arbeid in Nederland uit 1932), biografieën, toneelstukken, hoorspelen en een autobiografie.

De geëngageerde literatuur van de 21ste eeuw is niet meer die van Henriette Roland Holst. De tijd van grote linkse idealen lijkt voorbij te zijn. In een tijd waarin de Partij van de Arbeid (de opvolger van de SDAP waarvan Roland Holst ooit lid was) bereid is om zwaarbevochten verworvenheden als pensioenleeftijd en zorg in te ruilen voor regeringsdeelname en aankoop van gevechtsvliegtuigen, lijkt engagement een moeilijk te traceren fenomeen. Toch is het er nog, alleen vorm en aard verschillen tegenwoordig. Het boek Tegen verkiezingen van de Vlaamse auteur David Van Reybrouck is een bijzonder geëngageerd, eigentijds en confronterend pamflet.

Van Reybrouck (Brugge, 1971) weet in een sterk, kort en zeer vlot geschreven boek de lezer te overtuigen dat het instrument van loting een effectieve mogelijkheid is om onze machteloos geworden democratie weer tot leven te wekken en burgers, die steeds grilliger en minder gaan stemmen, weer te betrekken bij iets wat hen allen aangaat. In plaats van daadkrachtig besturen zijn politici grotendeels bezig met de volgende verkiezingen. Van Reybrouck doorbreekt dit ‘democratisch vermoeidheidssyndroom’ met een oud democratisch principe uit het klassieke Athene en de Renaissance (Venetië en Florence). De Commissie is ervan overtuigd dat Henriette Roland Holst de sociale bevlogenheid van de auteur en de originaliteit van zijn oplossing voor de eroderende democratie zou hebben kunnen waarderen.

 

Commissie van Voordracht

Dr P.J. (Perry) Moree,

Mw. drs G. (Gea) Schelhaas,

Mw. drs E.A. (Elsbeth) Kwant, Hilversum

 

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2014 voor Sander Kollaard

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2014 toegekend aan Sander Kollaard voor zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (Uitgeverij Van Oorschot). De prijs zal op 20 september 2014 te Leiden worden uitgereikt.

 

Advies van de Commissie voor Schone Letteren

De Commissie voor Schone Letteren moest dit jaar een grote hoeveelheid prozadebuten beoordelen, verschenen in 2012 en 2013. Een constatering die aanleiding lijkt te geven tot blijdschap, want de conjunctuur zit tegen en de boekenbranche maakt moeilijke tijden door.

Helaas rechtvaardigt de kwaliteit van veel van deze debuten nauwelijks een uitgave in boekvorm. Het betreft meestal autobiografische anekdotiek, die zonder veel literaire stilering de wereld in is gezonden. Originaliteit in de vormgeving is ver te zoeken en het experiment is zelfs morsdood. Het gebruik van de genre-aanduiding ‘roman’ lijkt vooral commerciële doeleinden te dienen.

Het is al te makkelijk alleen geldbeluste uitgevers verantwoordelijk te stellen voor deze situatie, al zouden zij scherper mogen selecteren en meer zorg kunnen besteden aan de tekstredactie. Ook de debuterende auteurs gaan niet vrijuit. Zij zouden minder snel tevreden kunnen zijn over hun werk en zich hoeden voor premature publicatie ervan.

Tot haar vreugde is de jury ook op verhalen en romans gestuit die getuigen van talent en inzet. De verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, geschreven door Sander Kollaard, maakte in dit opzicht de meeste indruk.

Het boek van Kollaard bevat veertien verhalen (de achterflap noemt abusievelijk het getal dertien), alle met dezelfde hoofdfiguur, Erik van Duijn, die tevens als verteller optreedt. De verhalen zijn chronologisch gerangschikt: in het eerste verhaal is Erik acht jaar oud en in het laatste is hij een man van middelbare leeftijd die mijmert over de dood. Dat het steeds om hetzelfde personage gaat, blijkt uit de dwarsverbanden tussen de verhalen. Zo wordt in het verhaal ‘Hoe ik een man met baard werd’ herinnerd aan de periode van somberheid die Erik als student beleefde, beschreven in ‘Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde’, en aan de mislukking van zijn eerste huwelijk, vermeld in ‘En Dassajev verbijsterd achterliet’.

Het boek van Kollaard behelst meer dan een willekeurige reeks autobiografische lotgevallen. De verhalen dwingen de lezer de wereld met nieuwe ogen te zien, hetgeen als het waarmerk van goede literatuur mag gelden. Na de lectuur kijkt hij anders naar wat doorgaans achteloos als ‘de werkelijkheid’ wordt aangeduid. De verhalen van Kollaard demonstreren dat die werkelijkheid geenszins solide is, met alle consequenties voor de identiteit van het centrale personage.

In het openingsverhaal van de bundel, ‘Onder het zand’, beeldt de achtjarige Erik zich in dat hij wegzakt in het zand van het strand: ‘Ik stelde mij voor hoe ik in het zand wegzakte en huiverde; razendsnel kroop de angst omhoog, alsof de kilte van die natte wereld optrok langs mijn benen. Ik probeerde mijn voeten los te trekken, maar kon mij niet bewegen’ (p. 11). Zijn reactie tegenover zijn vader, die hem is komen redden, getuigt van de beangstigende confrontatie met een onbekende wereld: ‘ “Onder het zand is ook heel veel, (...) allemaal dieren en schelpen“ ’ (p. 15) In het onderhavige geval contrasteert de angstervaring met de sensatie die Erik ondergaat tijdens het zien van Neil Armstrongs landing op de maan. Erik voelt zich ‘verbonden met de hele wereld’ (p. 13). Bevrijd uit het zand beweegt hij zich voort met de allure van de Amerikaanse astronaut: ‘Al rennend stelde ik mij voor dat ik op de maan liep. Mijn passen vertraagden en verlengden zich. Mijn voeten raakten het zand nauwelijks: ik vloog bijna’(p. 16).

Dat de wereld gevaarlijk instabiel is, ervaart Erik ook op latere leeftijd. In zijn studietijd kent hij een periode waarin hij zijn hand niet als de zijne herkent en zijn kamer slechts kan waarnemen als een onsamenhangende verzameling losse voorwerpen. Deze sensatie van desintegratie wordt afgewisseld met momenten waarop hij lijkt te versmelten met zijn omgeving. Op zoek naar hulp maakt hij bij toeval kennis met een eenzame oude man, die zijn vrouw heeft verloren. Erik ervaart ‘geborgenheid’ (p. 37) bij de man, een liefhebber van stijldansen. Samen dansen zij de foxtrot in een prachtige scéne die het schrijnende hoogtepunt vormt van het titelverhaal.

Het woord ‘werkelijkheid’ mag robuust klinken, de hoofdfiguur van Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde kan zich er vaak nauwelijks in handhaven. De wereld roept vragen op en vervolgens angsten. In ‘En Dassajev verbijsterd achterliet’ zoekt Erik van Duijn naar een verklaring voor het merkwaardige doelpunt dat Marco van Basten scoorde in de finale van het Europees Kampioenschap voetbal in 1988. Waarom liet de Russische keeper de op het oog houdbare bal gaan? Dassajev zelf gelooft in een wonder, veroorzaakt door een hogere macht. Hij is dan ook gelovig geworden en ziet onvermoede samenhangen, bijvoorbeeld tussen het verlies in de finale en het uiteenvallen van de Sovjet Unie.

Erik van Duijn geeft zich niet gewonnen aan het geloof. In plaats van deze capitulatie kiest hij voor een rationele benadering, als de werkelijkheid hem op ongerijmdheden vergast. In ‘Hoe ik een man met baard werd’ doet Erik een angstige ervaring op tijdens zijn ochtendlijke scheerritueel: ‘Mijn eigen gezicht kwam me voor als een masker waarachter een ander school, die er onmiskenbaar doorheen schemerde’(p. 78). Het gevoel van vervreemding voert hem achtereenvolgens naar een neuroloog en een psychiater. De laatste plaatst Eriks angst in een evolutionair perspectief: ‘Dat is wat u parten speelt: een miljoenen jaren oude angst voor een onbegrepen wereld, die elk moment kan toeslaan met een fatale wending van het lot’(p. 84).

Ook in dit verhaal weet Erik van Duijn zijn crisis te overwinnen. Hij is niet iemand die zich overgeeft aan de verwarring. Integendeel, hij houdt van ‘de schoonheid die voortvloeit uit een trefzekere ordening’ (p. 18), streeft ernaar zijn periodieke reizen zo precies mogelijk te herhalen en kent een hang naar ‘orde’ en ‘doelmatigheid’ (p. 142). Het verbaast dan ook niet dat hij behept is met een fobie voor slangen, die vanuit ‘een volstrekte roerloosheid’ tot ‘een razendsnelle beweging’ kunnen komen, aldus ‘het noodlot’ symboliserend (p. 126).

Het werk van Sander Kollaard biedt de lezer een boeiende, maar verontrustende visie op de wereld. De vertrouwde grenzen en verbanden zijn daarin niet langer van kracht. De verhalen zijn zorgvuldig geschreven, in een mild ironische stijl. Een fraai voorbeeld van deze schrijftrant vormt het visitekaartje in het titelverhaal waarop een helderziende alle denkbare problemen belooft op te lossen, variërend van ‘examens’ en ‘opheffen van vervloekingen’ tot ‘auto’. De jury kan een dergelijk voertuig niet in het vooruitzicht stellen: het zou een te forse aanslag betekenen op het budget van de Maatschappij. Zij draagt Sander Kollaard met zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde echter wel unaniem voor ter bekroning met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2014.

 

Kester Freriks, voorzitter

Pia de Jong

Ester Naomi Perquin

Gerard Raat

Yves T’Sjoen

 

Frans Kellendonk-prijs 2014 voor Esther Gerritsen

Rapport van de Commissie van voordracht

De schrijfster Esther Gerritsen (1972) zoekt in haar proza voortdurend de grens op tussen normaal en zonderling gedrag, en tussen publieke en privé-zaken. Haar inzet is iets van mensen te snappen, en ‘fictie is dé manier om te onderzoeken hoe mensen in elkaar zitten’, aldus Gerritsen zelf. Haar romans gaan over de binnenwereld van vrouwen, en hoe die intieme wereld kortsluiting maakt met de buitenwereld. Vervreemding, onvertrouwdheid, onhuiselijkheid: de gezinsverbanden in Gerritsens boeken zijn geen havens of bakens, maar plekken waar het leven een gevecht is. Dat gevecht beschrijft ze niet zonder humor. Gerritsen ziet het pijnlijke in het grappige, en het grappige in het pijnlijke, in de relaties tussen mensen.

Elisabeth, de moeder in Gerritsens laatste en indrukwekkende roman Dorst (2012), komt er rond voor uit dat ze niet geschikt is voor het moederschap en dat ze zonder haar dochter kan. Als haar dochter Coco toch bij haar gaat wonen omdat Elisabeth ongeneeslijk ziek is en binnenkort zal sterven, zorgt deze ‘ongewenste zorg’ voor een precaire en verwrongen situatie in huis. Net als bij haar eerste roman Tussen een persoon (2002) waarin hoofdpersoon Lucie haar man met ducktape vastbindt op bed omdat ze niet wil verhuizen. Coco sluit haar moeder uiteindelijk op, en Elisabeth sterft een eenzame dood. Maatschappelijk gezien zijn dat ongewilde situaties, die afschuw en verontwaardiging oproepen. In Superduif (2010) wil Bonnie, de dertienjarige hoofdpersoon, het liefst dood, maar door te transformeren in een reddende superduif verdwijnt ze in haar fantasiewereld. Dominique in Een kleine miezerige god (2008) verzint haar eigen godje om het leven aan te kunnen, en ook zij eindigt helemaal alleen. Geen van allen passen ze zich aan aan wat de omgeving van ze vraagt of verlangt. ‘Wel of niet deugen, dat bestaat niet voor mij,’ zegt Gerritsen er zelf over. Dat leidt er wel toe, dat in al haar romans eenzaamheid het slotstuk is.

Haar personages belanceren vaak op de rand van de psychose, en juist daar is voor de lezer scherp te zien hoe hoog de eisen zijn die de maatschappij aan mensen stelt, en hoe velen ten onder gaan. De gebruikelijke sociale logica en omgangsvormen worden door de schrijfster meteen buiten werking gesteld. Zodra het irrationele leidend wordt in het verhaal, is Gerritsen op haar best.

Ook op de korte baan is Gerritsens werk maatschappelijk onaangepast te noemen. Haar columns, gebundeld in Jij hebt iets leuks over je en Ik ben vaak heel kort dom zijn stuk voor stuk kleine case studies van personages en verhaallijnen; de grens tussen werkelijkheid en verhaalwereld lijkt vaak bescheiden. Of Gerritsen nu schrijft over haar liefde voor tv-series als Dallas (‘Ik denk dat mijn wereldbeeld is gevormd in de jaren tachtig door de eerste soap die ik in mijn leven zag’) of over de onwenselijkheid van het niet nuttigen van een bestelde kop koffie (‘Waarom zou het geen verspilling zijn wanneer die koffie opgedronken wordt, maar wel wanneer die koffie daar blijft staan?’), Gerritsen stelt vragen bij de sociale conventies rond ons handelen en denken, conversaties en andere menselijke interacties. Ze onderwerpt het dagelijks leven aan een minutieus onderzoek, niet zozeer uit een diep verlangen dit werkelijk te begrijpen, maar om een werkelijkheid te scheppen waarmee zij uit de voeten kan. In ‘In mijn bibliotheek kan dat’ schrijft Gerritsen dat ze als kind besefte dat ze ‘nieuw was in een oude wereld en dat alles wat ik was (dacht en voelde) ergens in zou passen, omdat er al zoveel was, zoveel dat ik nog onmogelijk kon overzien. (...) Door het schrijven leerde ik later de dingen steeds weer anders te zeggen, te herschrijven dus. Net zolang tot het klopte en ik mijn gedachten had omgezet in iets tastbaars en zo had ontdekt waar die gedachte in paste.’ Het resultaat is een particulier universum waarin het voor de lezer verwonderd dwalen is.

In haar romans zet Gerritsen tegenover de maatschappelijke verwachtingen die aan haar personages gesteld worden, de kracht van de intimiteit. Oek de Jong schreef onlangs in zijn essay Wat alleen de roman kan zeggen dat de ‘verbeelding van het intieme’ een van de kenmerken is waarin de roman zich onderscheidt van andere kunstvormen. De roman kan bij uitstek onze ‘innerlijke wereld’ beschrijven. En dat doet Gerritsen, en wie weet is dat ook de reden waarom ze van toneel naar de roman is overgestapt. De lezer wordt verleid de kronkelige gedachtengangen te volgen van haar onconventionele vrouwen. Hun intieme binnenwereld zien we, en we kijken door hun ogen naar buiten. Het is een unieke blik.

Niet alleen in haar onderwerpkeuze, maar ook in haar stijlgevoel is Gerritsen een buitencategorie. Haar absurdistische logica en subtiel-humoristische stem maken iedere zin in haar romans en columns een ‘typische Gerritsen’. Dat is bijzonder in de Nederlandse letteren en dat is een belangrijke overweging geweest van de jury om Esther Gerritsen te nomineren voor de Frans Kellendonk-prijs. Voor Kellendonk was een superieure en onderscheidende stijl hét mes om de maatschappij, sociale gewoontes en vooronderstellingen mee te fileren. Dat lemmet past wonderwel in de hand van Gerritsen. Daarom draagt de jury haar op grond van haar gehele oeuvre en met volle overtuiging voor voor de Frans Kellendonk-prijs 2014.

 

Commissie van voordracht

Jasper Henderson

Ton van Kalmthout

Maria Vlaar

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft besloten op grond van het bovenstaande rapport de Frans Kellendonk-prijs 2014 toe te kennen aan Esther Gerritsen. De prijs is op 24 februari 2014 te Nijmegen aan haar uitgereikt.