Nieuws en Mededelingen


Dankwoord van Ester Naomi Perquin na de uitreiking van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs op 6 juni 2009

Dames en heren,

Vanaf deze plaats mag ik vandaag iets zeggen over het ontvangen van de prijs die mij is toegekend door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en in het bijzonder de Commissie voor schone letteren. Dat doe ik van harte. Door omstandigheden heb in mijn leven echter meer afscheidsredes uitgesproken dan dankwoorden. Ik vrees dat ik dat eerste gemakkelijker vind.

Het had mij zo aardig geleken om vandaag niet alleen dank te zeggen, maar ook iets nuttigs over de poëzie of over de aard van de dichter te berde te brengen. Zoiets vind ik zelf altijd erg onderhoudend. Toen ik jonger was, toen ik nog jonger was, kon ik bij vlagen vreselijk stellig zijn. Zo vond ik in een goedbedoeld, tamelijk krakkemikkig essay - dat ik ooit begon en nooit voltooide - zowaar mijn definitie van de dichter terug: iemand die de staart schrijft van een kat die al de hoek om is.

Wellicht zou ik vandaag de dag schrijven: de dichter is iemand die een kat schrijft aan de hand van een staart. Of ik zou de dichter beschouwen als de hoek, waar de kat omheen verdwijnt. Of als de oorzaak van zijn vlucht - zo'n kat zet het tenslotte niet voor niets op een lopen. Uiteindelijk ben ik wellicht te wisselvallig van aard om te hechten aan definities. Ik hecht overigens ook niet aan het consequent afwijzen daarvan. Er zijn uiteindelijk maar weinig dingen waar ik niet aan twijfel - en zelfs aan die dingen zou ik misschien beter kunnen twijfelen (daar ben ik nog niet zeker van). Gelukkig krijg ik deze prachtige prijs voor twee dichtbundels en niet voor mijn onhandige karakter of mijn prestaties als spreker. Ik wil daarom allereerst Kester Freriks, Micha Hamel, Ingrid Hoogervorst en Rudi van der Paardt zeer hartelijk danken.

Ik heb het grote geluk gehad om binnen de muren van Uitgeverij van Oorschot een bijzondere uitgever en twee warmbloedige redacteuren te ontmoeten. Mirjam van Hengel, (die mij zogezegd 'aan boord haalde' en van de eerste tot de laatste letter onvermoeibaar bij mijn debuut betrokken bleef) en Menno Hartman, (die niet alleen een uitstekend lezer bleek maar ook een stevig ijkpunt in tijden van onrust). Beiden ben ik veel verschuldigd.

Hester Knibbe wil ik daarnaast danken voor haar nietsontziende vertrouwen in een goede afloop, Marian Pankow voor alle nachten waarin we het universum hervormden of liederlijk dronken werden (in wisselende volgorde). Alfred Nieuwenhuis dank ik voor talloze onzegbare, aangename dingen. Hij weet: achter iedere dichter staat een veronachtzaamde echtgenoot de glazen bij te vullen.

Met het aanvaarden van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2009 sta ik plotseling achteraan een lange rij uiteenlopende, bijzondere dichters. Velen van hen ben ik eveneens dank verschuldigd: al is het maar omdat ze hoe dan ook, bedoeld of onbedoeld, in weerwil van alles, omwille van alles, tradities volgend of brekend, schuimbekkend of fluisterend, iets hebben toegevoegd dat verschrikkelijk nodig is. Daar ben ik, los van welke kat of staart dan ook, bijzonder zeker van. Het is een eer om in deze rij aan te mogen sluiten.


Dankwoord van Frans Debrabandere na de uitreiking van de Kruyskamp-prijs op 6 juni 2009

Mijnheer de voorzitter, dames en heren, beste vrienden uit de Nederlanden

Allereerst wil ik u zeggen dat ik me gevleid en vereerd voel met deze prijs, die de naam draagt van de grote lexicograaf C. Kruyskamp. Bijgevolg spreek ik mijn dank uit aan de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en de jury van de Kruyskamp-prijs, omdat zij me waardig hebben gevonden om deze prestigieuze prijs in ontvangst te nemen.

De Engelse 18de-eeuwse lexicograaf S. Johnson schreef: 'To make dictionaries is dull work'. 'Saai werk', vond hij. En nagenoeg een eeuw later schreef onze Johan Hendrik Van Dale in het voorbericht van zijn bewerking van Calisch & Calisch: 'Het schrijven van een Woordenboek is een ondankbaar, een verdrietig werk. Is er veel, dat men heeft opgenomen en verbeterd, er is nog veel meer, dat men vergeten heeft, dat de aandacht ontsnapt is en alzoo onverbeterd is gebleven. Verzekerde een mijner letterkundige vrienden, dat hij, die zijn vader en moeder vermoord heeft, nog te goed was om een Woordenboek te schrijven, ik heb mijzelven vaak twijfelmoedig de vraag gedaan, of hij wel volkomen ongelijk had. Daarom hebben zij, dunkt mij, die zich aan zulk arbeid wagen, aanspraak op eene welwillende beoordeling.' Aan deze laatste aanspraak is nu in elk geval voldaan door deze Maatschappij, die mijn lexicografisch werk zo welwillend beoordeeld heeft. Ik ben het eens met mijn streekgenoot Van Dale, want Sluis is tenslotte een stukje West-Vlaanderen, ooit een deel van het Brugse Vrije, dat een woordenboek nooit af is, nooit volmaakt, nooit volledig. Hebben we allemaal bij het naslaan van een woordenboek niet eens verzucht: ach, het staat er niet in. Of zelfs: ik ben het er niet mee eens? Maar ik ben het er helemaal oneens mee, dat lexicografie saai werk zou zijn, laat staan dat een woordenaar patri- of matricide neigingen zou vertonen. Een woordenboek samenstellen is zelfs een heel leuk tijdverdrijf, het is als een meccano, die je stukje bij beetje ineenknutselt. Elke dag dat je eraan gewerkt hebt, zie je het boek groeien en voor je het weet heb je honderden bladzijden, een woordenboek. Het onderscheid tussen de literator en de woordenaar ligt mijns inziens onder meer hierin dat de laatste vanwege de bondigheid van een woordenboekartikel in staat moet zijn om synthetisch en dus met weinig woorden veel te zeggen. Aangezien ik zelf een man van weinig woorden ben, ligt het maken van een woordenboek me wel.

Hoe kom je ertoe om een lexicon samen te stellen? Ik constateer dat het hoofdbestanddeel van mijn naamkundige scripties eigenlijk een glossarium was, dus een namenboek of woordenboek. En niet toevallig heette mijn eerste echte woordenboek Glossarium. Deze titel had ik natuurlijk niet zelf gekozen, want het was de voortzetting van Stallaerts 'Glossarium van verouderde rechtstermen', uitgegeven in de stad waar we ons nu bevinden, in Leiden bij E.J. Brill. Bovendien 'uitgegeven vanwege de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden'. Maar toen Karel Stallaert in 1893 stierf, was het woordenboek tot aan het woord POER geraakt, waarmee Stallaert ook zijn laatste poer verschoten had. - Nederlandse vrienden, dat was dan wel een Vlaamse uitdrukking - . Toen begon het glossarium een hele lijdensweg en via potentiële voortzetters, nl. De Flou, Gailliard, Van Droogenbroeck, Jacobs en Egide Strubbe, kwam het materiaal uiteindelijk in 1968 bij mij terecht. Deel 3 verscheen in 1977. Het was een hels karwei geweest de Stallaertpuzzel te ontwarren en ik heb toen gezworen nooit meer andermans materiaal te bewerken. Ik zou toen Van Dale volmondig gelijk hebben gegeven: 'Het schrijven van een woordenboek is een ondankbaar, een verdrietig werk'. En toch begon ik in 1981 aan een tienjarenplan, een 'Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk'. Het was klaar in 1993 en als je rekening houdt met mijn sabbatical year in 1983 bij de Taalunie in Den Haag, dan kwam mijn timing vrij goed uit. De tweede, herziene uitgave van 2003, kon evenwel niet lang op de door Van Dale verwachte 'welwillende beoordeling' rekenen, want de uitgever besloot het aanzienlijke nog niet verkochte restant te vernietigen. Na het zware werk en dito boek begon ik aan een lichter werk 'Het Kortrijks Woordenboek' van 1999, het boek waar ik het meeste plezier aan heb beleefd. Het was een boek waarin ik nostalgisch de taal van mijn jeugd kon herbeleven, maar waar ik ook al een beetje aan etymologie deed. En met die etymologie wou ik iets meer doen en aangezien in 1996 Weijnen zijn 'Etymologisch dialectwoordenboek' verschenen was, waarin het perifere West-Vlaams slechts stiefmoederlijk behandeld werd, besloot ik een 'West-Vlaams etymologisch woordenboek' te maken, dat verscheen in 2002. Aangemoedigd door het succes besloot ik een 'Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek' samen te stellen, dat in 2005 verscheen. En in de schoot van de Stichting J.H. van Dale, die ik mee boven de doopvont had gehouden, verzocht de voorzitter, Lo van Driel, me om nu ook maar zo'n Zeeuws woordenboek te maken. Dat deed ik dan maar, al was ik dat niet van plan, en het werd in de herfst van 2007 in Middelburg gepresenteerd. De jury heeft bepaald het Oost-Vlaamse woordenboek bekroond, maar uit het juryverslag blijkt dat ook de twee andere in de beoordeling werden meegenomen. Dat deze 'welwillende beoordeling' door de jury mij gelukkig stemt en me de moed schenkt om door te gaan, hoeft geen betoog. Ik dank nogmaals voor de prijs en u voor uw aanwezigheid, uw sympathie en uw aandacht.


Dankwoord van Arnold Heumakers na de uitreiking van de Dr. Wijnaendts Francken-prijs op 6 juni 2009

De essayistiek is in Nederland geen genre dat veel lezers trekt. Een essaybundel die een bestseller wordt - het is al heel lang niet meer gebeurd. Ook mijn essaybundel De schaduw van de Vooruitgang heeft maar een kleine, zij het ongetwijfeld zeer selecte groep lezers gevonden. En de laatste exemplaren, die kennelijk van plan waren samen oud te worden in het Centraal Boekhuis, is simpelweg de wacht aangezegd; ze zijn, alweer een paar jaar geleden, verramsjt. Met als gevolg dat ik vandaag een prijs in ontvangst mag nemen voor een boek dat niet meer bestaat, althans niet meer in de boekhandel. Dat vervult mij, zoals dat zo mooi vaag heet, met gemengde gevoelens, die alle kanten op kunnen gaan.

Ik zou nu bijvoorbeeld los kunnen barsten in een woedende tirade tegen de onverschilligheid van het publiek dat in een nobel en uitdagend genre als het essay geen enkel belang stelt. Men houdt er blijkbaar niet van om zelf te denken of met een auteur mee te denken - voor beide zaken is het essay bij uitstek geschikt. Het verschaft een belangeloze verdieping, naast en soms tegenover de aandrang van de directe actualiteit. In een essay kan openlijk getwijfeld worden, gewikt en gewogen, niet omwille van het resultaat maar omwille van het wikken en wegen, omwille van de twijfel en het denken zelf. Dat men daar de schouders over ophaalt, het is een teken aan de wand.

Dit alles zou ik kunnen zeggen, en nog veel meer in dezelfde trant, maar ik doe het niet. Zo'n tirade laat ik graag over aan Jeroen Brouwers, een laureaat die mij is voorgegaan; hij zal er vast iets spetterends van maken. En u zult het van harte met hem eens zijn, net als ik zelf trouwens. Maar als dat zo is, wat heeft zo'n tirade dan nog voor zin, behalve dat we ons gemoed weer eens hebben gelucht?

Er is ook nog een andere reden waarom ik mij niet zal wagen aan een dergelijke tirade. Wie mijn essaybundel gelezen heeft, kent die reden. In De schaduw van de Vooruitgang lever ik kritiek op de cultuurkritiek, en de tirade die ik op het oog heb zou van hetzelfde cultuurkritische laken een pak zijn. Ik zal mijn kritiek nu niet herhalen, maar zij schept wel verplichtingen, in elk geval voor de auteur. Na deze bundel kan ik het mij niet meer permitteren om welbewust en tot ons aller vermaak in de valkuilen te springen die ik zelf in kaart heb gebracht.

Dat betekent dat ik mijn dankwoord zal gebruiken waarvoor het bedoeld is, namelijk om dank te zeggen. In de eerste plaats aan mijn uitgever Querido, die mijn essaybundel toch maar heeft uitgegeven, tegen de culturele tijdgeest in; in het bijzonder dank ik mijn vriend en redacteur, Anthony Mertens, die zich vlak vóór zijn dood nog in de bekroning heeft kunnen verheugen. Verder dank ik de jury die zo goed is geweest om mijn boek uit te kiezen, en het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde dat met deze keuze heeft willen instemmen. En ik dank dr. C.J. Wijnaendts Francken, zonder wie de hele prijs niet had bestaan.

Ik beschouw hem een beetje als de redder van mijn boek. Niet dat ik u nu een herdruk van mijn essaybundel kan aankondigen, want Querido is wel goed maar niet gek. Maar toch heb ik de indruk, hoe zal ik het zeggen, dat de eer is gered - dankzij dr. C.J. Wijnaendts Francken.

Ik moet bekennen dat ik de naamgever van de prijs, voordat ik hem won, alleen kende in die nominale hoedanigheid. Sindsdien heb ik me een beetje in hem verdiept, uit een niet meer geheel belangeloze nieuwsgierigheid. Tot mijn verrassing zag ik dat dr. Wijnaendts Francken, hoewel van huis uit bioloog, zich met allerlei denkers en schrijvers heeft ingelaten die ook mij dierbaar zijn. Hij schreef boeken over Hume, Voltaire en Bayle, Schopenhauer, Goethe en oude moralisten als Montaigne en Coornhert - om mij nu even te beperken tot de auteurs over wie ik ook wel eens iets op papier heb gezet. Zoiets schept een band, die mijn plezier in de prijs alleen maar vergroot.

Natuurlijk zijn er ook verschillen. Dr. Wijnaendts Francken is ook de auteur van boeken met titels als Lijkverbranding, Het vraagstuk der sexueele voorlichting en De evolutie van het huwelijk - dat zal ik hem niet gauw nadoen. Daar staat tegenover dat zijn huwelijk in een scheiding eindigde en dat ik nog steeds gelukkig getrouwd ben, iets waarvoor ik in de eerste plaats - we zijn nu toch bezig - mijn vrouw Barbara wil danken. Zonder haar was mijn leven wellicht verzonken in lethargie en wereldvreemdheid. Dus de prijs is niet in de laatste plaats ook háár verdienste.

Vergeleken met dr. Wijnaendts Francken blijft mijn productie beschamend mager, ik zal het niet ontkennen. In het Levensbericht van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde dat na zijn dood in 1945 werd gepubliceerd, lezen we: 'Iets bestudeeren beteekende voor Francken: er een boek over schrijven.' Zelf vind ik studeren misschien wel het aangenaamste wat er in het leven te doen valt, mijn probleem is dat er vervolgens ook nog een boek over moet worden geschreven. Vandaar dat de krant met zijn opzwepende deadline voor mij bijna een noodzaak is om tot iets te komen en vandaar dat het essay mijn natuurlijke genre is geworden. De schijnbare voorlopigheid ervan komt tegemoet aan mijn studieuze inslag: het onderwerp hoeft godzijdank niet uitputtend te worden behandeld, er blijft altijd nog wel iets te studeren over.

Met zo'n instelling en met het resultaat ervan trek je alleen niet gauw een groot publiek. Ook dr. Wijnaendts Francken worstelde met dit probleem, in weerwil van zijn ontzagwekkende productie. Hij heeft het opgelost door de naar hem vernoemde prijs in het leven te roepen. Alle getuigen die ik heb geraadpleegd zijn het er over eens dat verlangen naar roem zijn belangrijkste motief moet zijn geweest. Eén van hen stelt zelfs voor dr. Wijnaendts Francken uit te roepen 'tot schutsheer van alle harde werkers die zich miskend voelen'.

Het is een interessant voorstel, maar het hier te steunen zou, denk ik, niet getuigen van grote erkentelijkheid. Daarom wil ik mij er bij deze uitdrukkelijk van distantiëren. Als eeuwig studerende essayist kan ik mij moeilijk een harde werker noemen en op de vraag of ik mij miskend voel, moet het dankbare antwoord luiden: na vandaag niet meer.


Prijs voor Meesterschap 2009 voor Gerrit Kouwenaar

De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Prijs voor Meesterschap 2009 toegekend aan Gerrit Kouwenaar voor zijn gehele oeuvre. Deze in 1920 ingestelde prijs wordt eenmaal in de vijf jaar toegekend, afwisselend in een van de categorieën 1) schone letteren 2) Nederlandse taal- en letterkunde en 3) geschied- en oudheidkunde, zodat de toekenning in elk van deze categorieën eenmaal in de 15 jaar plaatsvindt. De prijs bestaat uit een gouden penning.

Uit het juryrapport:

Zonder overdrijving kan gesteld worden dat Kouwenaar al heel lang algemeen als onze grootste levende dichter wordt beschouwd. Men kan dat opmaken uit de prijzen die hem al eerder ten deel zijn gevallen, uit de grote hoeveelheid kritieken en studies die in de loop der jaren aan zijn poëzie zijn gewijd en uit de invloed die hij onmiskenbaar op het werk van jongere collega's heeft uitgeoefend. Zijn gedichten maken een letterlijk volmaakte indruk. Kouwenaar is aan ieder gedicht blijven werken totdat het aan zijn hoge norm voldeed.

De jury bestond uit Kester Freriks, Micha Hamel, Ingrid Hoogervorst en Rudi van der Paardt (voorzitter).

Eerdere laureaten van de prijs voor Meesterschap zijn onder meer Hugo Claus, Ida Gerhardt, S. Vestdijk, Henriette Roland Holst en P.C. Boutens.

Het complete juryrapport is beschikbaar op www.dbnl.org/tekst/_jaa004200901_01/_jaa004200901_01_0001.htm

De prijs wordt uitgereikt tijdens het openbare gedeelte van de jaarvergadering van de MNL op zaterdag 6 juni 2009 om 15.30 uur in het Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden.

Voor nadere inlichtingen: Leo van Maris, secretaris MNL, p/a Universiteitsbibliotheek, Postbus 9501, 2300 RA  LEIDEN, tel. 071-5144962,

e-mail: MNL@library.leidenuniv.nl


Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2009 voor Ester Naomi Perquin

Deze in 1925 ingestelde prijs is in de taal van het reglement een 'prijs van aanmoediging', tegenwoordig ook wel 'stimuleringsprijs' genoemd. Hij wordt ieder jaar uitgereikt, afwisselend in de categorieën poëzie en proza, aan een schrijver van wie in de voorgaande jaren haar/zijn eerste of eerste twee publicaties zijn verschenen. Ester Naomi Perquin heeft twee bundels gepubliceerd: Servetten halfstok en Namens de ander (Van Oorschot, 2007 en 2009). De prijs bestaat uit een penning en 7.500 euro.

Uit het juryrapport:

De poëzie in Servetten halfstok en Namens de ander valt op door het schijnbaar gewone taalgebruik en de alledaagse, herkenbare situaties, die van een bedrieglijke eenvoud zijn, maar waarin de hele wereld doorklinkt. Perquin stelt vragen aan het leven, probeert greep te krijgen op de wereld en haar verwondering echoot in elk gedicht. De toon, helderheid en aandacht voor het gewone krijgt in een bijna achteloze vorm gestalte en onder de lichtheid klinkt steeds een droeve, melancholieke ondertoon.

De jury bestond uit Kester Freriks, Micha Hamel, Ingrid Hoogervorst en Rudi van der Paardt (voorzitter).

Eerdere laureaten van de Van der Hoogt-prijs zijn onder meer Thomas Möhlmann, Micha Hamel, Geert Buelens, René Puthaar, Erik Menkveld, Piet Gerbrandy, Peter Ghyssaert, Anna Enquist, Eva Gerlach, H.C. ten Berge, Christine D'haen, Leo Vroman, Ida G.M. Gerhardt, M. Vasalis, H. Marsman en J. Slauerhoff.

Het complete juryrapport is beschikbaar op www.dbnl.org/tekst/_jaa004200901_01/_jaa004200901_01_0002.htm

De prijs wordt uitgereikt tijdens het openbare gedeelte van de jaarvergadering van de MNL op zaterdag 6 juni 2009 om 15.30 uur in het Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden.

Voor nadere inlichtingen: Leo van Maris, secretaris MNL, p/a Universiteitsbibliotheek, Postbus 9501, 2300 RA  LEIDEN, tel. 071-5144962,

e-mail: MNL@library.leidenuniv.nl


Kruyskamp-prijs 2009 voor Frans Debrabandere

De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Kruyskamp-prijs 2009 toegekend aan dr. Frans Debrabandere voor zijn Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek (L.J. Veen, Amsterdam 2005).

Deze in 1994 ingestelde prijs wordt eenmaal in de drie jaar uitgereikt voor een werk op het gebied van de Nederlandse lexicografie, lexicologie of de editie van oude Nederlandse teksten, en bestaat uit een oorkonde en 2.500 euro.

Uit het juryrapport:

Het knappe van het te bekronen boek is dat het niet alleen een groter lekenpubliek goed leesbare en heldere informatie verstrekt, maar dat het ook de wetenschappelijke precisie en grondigheid vertoont die nodig zijn voor de betrouwbaarheidsgarantie van die informatie. Debrabandere slaagt er op voorbeeldige wijze in om op onderhoudende wijze aan te geven waar woorden taalkundig gesproken vandaan komen, waarbij hij in voorkomende gevallen ook nieuwe inzichten verstrekt door bestaande etymologische verklaringen expliciet te corrigeren.

De jury bestond uit J.G. Kruyt, H.J. Verkuyl en F. Willaert.

Eerdere laureaten van de Kruyskamp-prijs zijn onder meer Marc De Coster, Willem Wilmink, W.P. Gerritsen en Frans Claes.

Het complete juryrapport is beschikbaar op www.dbnl.org/tekst/_jaa004200901_01/_jaa004200901_01_0003.htm

De prijs wordt uitgereikt tijdens het openbare gedeelte van de jaarvergadering van de MNL op zaterdag 6 juni 2009 om 15.30 uur in het Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden.

Voor nadere inlichtingen: Leo van Maris, secretaris MNL, p/a Universiteitsbibliotheek, Postbus 9501, 2300 RA  LEIDEN, tel. 071-5144962,

e-mail: MNL@library.leidenuniv.nl


Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2009 voor Arnold Heumakers

De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2009 toegekend aan Arnold Heumakers voor zijn boek De schaduw van de Vooruitgang (Querido 2003).

Deze in 1934 ingestelde prijs wordt eenmaal in de drie jaar uitgereikt voor een werk dat zich beurtelings beweegt op het gebied van a) essays en literaire kritiek b) cultuurgeschiedenis, en bestaat uit een oorkonde en 2.500 euro.

Uit het juryrapport:

Heumakers' essays in De schaduw van de Vooruitgang, net als die in Schoten in de concertzaal en De fatale cirkel, munten uit door een open betoogtrant. Heumakers is een utilitair ingestelde essayist die ervoor zorgt dat zijn lezers met hem mee kunnen denken. Zijn grote nieuwsgierigheid, zijn onafhankelijke inzicht en zijn geloof in de betekenis van literatuur en ideeën zijn een verrijking voor de Nederlandse literatuur en essayistiek.

De jury bestond uit Wim van Anrooij (voorzitter), Yra van Dijk, Yasco Horsman, Ileen Montijn en Carel Peeters.

Eerdere laureaten van de dr. Wijnaendts Francken-prijs zijn onder meer Frank Westerman, Carel Peeters, Jeroen Brouwers, Paul Rodenko, Karel van het Reve, H.A. Gomperts en Annie Romein-Verschoor.

Het complete juryrapport is beschikbaar op www.dbnl.org/tekst/_jaa004200901_01/_jaa004200901_01_0004.htm

De prijs wordt uitgereikt tijdens het openbare gedeelte van de jaarvergadering van de MNL op zaterdag 6 juni 2009 om 15.30 uur in het Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden.

Voor nadere inlichtingen: Leo van Maris, secretaris MNL, p/a Universiteitsbibliotheek, Postbus 9501, 2300 RA  LEIDEN, tel. 071-5144962,

e-mail: MNL@library.leidenuniv.nl