Nieuws en Mededelingen

 

Uitnodiging tot bijwoning van de Laureatenmiddag

Lipsius-gebouw, Cleveringaplaats 1, Leiden

20 september 2014

14.00 uur

met Remieg Aerts - Job Cohen - Jeroen Dera - Esther Gerritsen - Sander Kollaard - David Van Reybrouck - Wim Vandenbussche - Roland Willemyns

Om de beoefening van de Nederlandse taal, letterkunde en geschiedenis te bevorderen reikt de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde elk jaar een aantal prijzen uit aan talentvolle schrijvers. Dit jaar gaat de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs naar Sander Kollaard voor zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. De Henriette Roland Holst-prijs is toegekend aan David Van Reybrouck voor zijn boek Tegen verkiezingen. Esther Gerritsen krijgt de Frans Kellendonkprijs voor haar gehele oeuvre. En de Prijs voor Meesterschap is toegekend aan Roland Willemyns, eveneens voor zijn gehele oeuvre.

Esther Gerritsen heeft haar prijs in ontvangst genomen op 24 februari jl. Sander Kollaard, David Van Reybrouck en Roland Willemyns krijgen hun prijzen uitgereikt tijdens de Laureatenmiddag. Er wordt dan een programma gepresenteerd rond het werk van de vier laureaten.

U bent van harte welkom om de middag bij te wonen.

Bijwoning van de Laureatenmiddag is gratis.

 Programma
13.30Inloop met koffie/thee
14.00 Verwelkoming door Wijnand Mijnhardt, voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
14.05 Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs
 juryrapport door Kester Freriks
 interview met Sander Kollaard door Jeroen Dera
14.40 Henriette Roland Holst-prijs
 juryrapport door Perry Moree
 David Van Reybrouck in debat met Job Cohen o.l.v. Remieg Aerts
15.15Pauze met koffie/thee
15.30Frans Kellendonk-prijs
 film Op 't nachtkastje. Esther Gerritsen door Dopplmeister
 Esther Gerritsen leest voor uit eigen werk
16.05Prijs voor Meesterschap
 juryrapport door Nicoline van der Sijs
 interview met Roland Willemyns door Wim Vandenbussche
16.40 Receptie

Gelieve u wel aan te melden voor 15 september 2014 bij de secretaris van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, dr. B.P.M. Dongelmans, via mnl@library.leidenuniv.nl

 

Bijeenkomst Literatuur en ‘wij’

Zaterdag 24 mei 2014

Klein Auditorium, Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden

Aanvang: 14.00 uur

 

Op zaterdag 24 mei 2014 organiseert de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een bijeenkomst die als titel draagt:

Literatuur en ‘wij’

Sprekers zijn:

Kevin Absillis - Dirk van Bastelaere - Thierry Baudet - Mano Bouzamour

Speelt literatuur nog een rol bij de vorming van een wij-gevoel? En is het eigenlijk nog wel aan de literatuur om die rol te spelen? Betreft het dan een morele plicht van de individuele schrijver? Of moeten we een en ander beschouwen als een laatste kans voor de literatuur om iets meer te zijn dan slechts koopwaar?

Door de tijden heen is het literaire medium altijd bijzonder bruikbaar gebleken om gemeenschappen te verbeelden en collectieve identiteiten te definiëren: de stadstaat Athene, de wereld van de oude Grieken en de wereld van de Romeinen, het christelijke westen, koninkrijken, natiestaten, sub-nationale, regionale en lokale gemeenschappen, Europa,... een wereldomvattende republiek van verlichte burgers.

Maar hoe zit dat vandaag, in onze multimediale cultuur en in tijden van globalisering?

Helpt literatuur bijvoorbeeld de moderne natiestaat ten grave te dragen om zo de weg vrij te maken voor supranationale politieke entiteiten? Of is literatuur juist een medium dat weerstand biedt - of kan bieden dan wel moet bieden -- tegen Europeanisering en globalisering?

 

Is literatuur eigenlijk nog wel krachtig genoeg om gemeenschappen te verbeelden?

Delft literatuur niet bij voorbaat het onderspit tegen film en televisie, en tegen het digitale informatieoffensief? Zorgen die media niet voor een onstuitbare versplintering van collectieve identiteiten? En wat mogen we anderzijds van het literaire medium verwachten als het erom gaat collectieve identiteiten vooral niet te statisch, homogeen en exclusief te definiëren?

Kan literatuur ons helpen om globaal te denken, lokaal te handelen en open te blijven staan voor wat niet strookt met intussen verworven identiteiten?

Over deze en nog tal van andere kwesties debatteren onder leiding van Aleid Truijens vier schrijvers met een uitgesproken mening over deze brandende literaire kwestie:

Kevin Absillis, auteur van o.a. Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970) en medesamensteller van de opstellenbundels De manke usurpator: over Verkavelingsvlaams en De plicht van de dichter: Hugo Claus en de politiek

Dirk van Bastelaere, auteur van o.a. Wwwhhooosshhh: over poëzie en haar wereldse inbedding en medesamensteller van de bloemlezing Hotel New Flandres

Thierry Baudet, auteur van o.a. De aanval op de natiestaat en Oikofobie: de angst voor het eigene en medesamensteller van de opstellenbundels Conservatieve vooruitgang en Revolutionair verval

Mano Bouzamour, auteur van De belofte van Pisa

 

Einde circa 16.00 uur. Aansluitend is er een receptie in het Academiegebouw.

TOEGANG: GRATIS

Het Academiegebouw is in ca. 15 minuten te voet te bereiken vanaf het Centraal Station Leiden (route: Stationsweg, Steenstraat, Prinsessekade, Kort Rapenburg, Rapenburg). In de onmiddellijke omgeving van het Academiegebouw is de parkeergelegenheid beperkt. Aangeraden wordt gebruik te maken van een van de parkeergarages of -terreinen die de gemeente bij de toegangswegen tot de stad heeft aangegeven. Parkeren in garages is in Leiden goedkoper dan parkeren op straat. Op het populaire parkeerterrein Haagweg 6 (dag en nacht geopend) bedraagt het tarief voor maximaal twee uur parkeertijd € 4,00, maximaal vier uur parkeertijd € 7,00, voor maximaal vijf uur parkeertijd € 9,00 en voor een dagkaart € 12,00. Busjes vervoeren de bezoekers gratis van en naar het stadscentrum.

 

Prijs voor Meesterschap 2014 voor Roland Willemyns

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft op 20 maart 2014, overeenkomstig het advies van de Commissie voor taal- en letterkunde, besloten de prijs voor Meesterschap 2014 toe te kennen aan prof. dr. Roland Willemyns

Advies van de Commissie voor taal- en letterkunde

De Commissie voor taal- en letterkunde stelt het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor de Prijs voor Meesterschap in 2014 toe te kennen aan prof. dr. Roland Willemyns voor diens gehele wetenschappelijke oeuvre. Haar voorstel berust op de volgende overwegingen.

Roland Willemyns (Diksmuide, 1943) is emeritus gewoon hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Vrije Universiteit Brussel. Zijn wetenschappelijke loopbaan begon in 1961 met een studiekeuze voor Germaanse filologie aan de Université Libre de Bruxelles. Hij kwam er op het pad van de dialectologie en de historische taalkunde onder de vleugels van zijn leermeester Adolphe van Loey. Deze eminente grand old man van de medioneerlandistiek begeleidde zowel Willemyns’ scriptie over de woordenschat voor ‘de pit van een peer’ in West-Vlaamse dialecten, als zijn doctoraat over het vijftiende- en zestiende-eeuwse Brugs. Het proefschrift getiteld ‘Bijdrage tot de studie van de klankleer van het Brugs op het einde van de Middeleeuwen’ werd in 1968 bekroond door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Na een postdoctoraal traject bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek werd Willemyns in 1974 voltijds docent aan de Vrije Universiteit Brussel, zes jaar later gevolgd door de promotie tot gewoon hoogleraar (een ambt dat hij tot zijn emeritaat in 2008 bleef bekleden).

 

De loopbaan die Roland Willemyns nadien ontplooide wordt gekenmerkt door een bijzondere veelzijdigheid en een verregaande invloed op de neerlandistiek in binnen- en buitenland. Hij maakte school in diverse takken van de taalkunde met een coherent oeuvre van briljante publicaties. Bovendien combineerde hij een sterke sociale bewogenheid met een groot engagement in de geïnstitutionaliserde neerlandistiek. Het samengaan van al die kwaliteiten in één persoon is een indrukwekkende krachttoer en de Commissie erkent dan ook uitdrukkelijk het onbetwiste meesterschap dat hieruit spreekt.

Willemyns’ carrière begon als medioneerlandicus en dialectoloog. Hoewel die klassieke combinatie (met ook historische grammatica) nog typerend was voor de Germaanse filologie in de jaren zestig van de vorige eeuw, verried zijn jonge wetenschappelijke werk al een duidelijke voorkeur voor nieuwe en onontgonnen paden in het vak. Zo bezorgde hij als jonge vorser onder meer de uitgave van een door hem teruggevonden handschrift van de zestiende-eeuwse Bruggeling Willem Weydts en zocht hij aansluiting bij de prilste digitale revolutie in de dialectgeografie.

Toen de wetenschappelijke paradigma’s in de taalkunde ongeveer op hetzelfde ogenblik een ommekeer ondergingen, was Willemyns bij de eersten in de Lage Landen om de opkomende sociolinguïstiek voluit mee vorm te geven. Hij gaf de variationistische theorieën van Labov en de taalsociologie van Fishman in bepalende mate een plaats in de studie van de Nederlandse taal, zonder daarom de klassiekere onderzoekslijnen in zijn curriculum te verloochenen. Vanuit die voortrekkerspositie drukte hij zijn blijvende stempel op de studie van taalverandering en taalcontact in ons taalgebied, en in het verlengde daarvan ook op de ontwikkeling van inzichten in taalplanning en taalpolitiek in Nederland en België.

Beslist bijzonder is de wijze waarop het uitwaaieren van die expertise steevast gepaard ging met een verbreding en verdieping van zijn bestaande onderzoeksportfolio. Willemyns’ introductie van de historische sociolinguïstiek in ons taalgebied mag de recentste illustratie heten van zijn blijvende veelzijdigheid. Bij dit alles was hij ook nog een van de prominentste taalhistorici van het Nederlands en de Germaanse talen, en herhaald chroniqueur van de Nederlandse taalgeschiedenis.

De wetenschappelijke ontwikkeling van de neerlandistiek in binnen- en buitenland heeft Willemyns onmiskenbaar mee vorm gegeven tijdens de vier voorbije decennia. Vooral die extramurale invloed is opmerkelijk: hij was een van de eersten die lokale taalkundige onderzoeksthema's echt internationaal op de kaart zette. Willemyns ging onmiskenbaar voorop in het breken met de vastgeroeste idee dat een neerlandicus of dialectoloog per definitie enkel voor een lokaal publiek werken kon (hoe evident dat voor een jonge taalkundige vandaag ook zijn mag). De klassieke ‘internationale’ publicatiekring van de dialectologie en de filologie bleef lang beperkt tot de Duitstalige wereld, maar toen samen met de paradigma’s in zijn wetenschapsbranche ook de internationale voertaal veranderde, koos Willemyns voluit voor de introductie van neerlandistische thema’s in een Angelsaksische werkomgeving; hij bleef wel ook als een van de weinigen systematisch in het Duits publiceren.

Ook op andere (niet neerlandistische) vakdomeinen was Willemyns’ invloed constant. In het sociolinguïstische en taalsociologische veld was zijn eigenzinnige stem jarenlang toonaangevend, ook op het internationale plan. In Québec kwam het bijvoorbeeld tot een langdurige onderzoekssamenwerking rond taalplanning en taalcontact, waarbij de Belgische en Brusselse casus standaardreferenties werden.

Impact op het vak was er tevens door toonaangevende publicaties die het curriculum van de (inter)nationale neerlandistiek bepaalden. Willemyns’ handboek over ‘Het niet-literair Middelnederlands’ was jarenlang het enige in zijn soort en werd tot in de Verenigde Staten als course book gebruikt.

Dat Willemyns ook op institutioneel vlak mee ‘aan de kar trok’ aan de extramurale neerlandistiek in de jaren tachtig en negentig is meer dan een voetnoot: als voorzitter van de ‘Commissie Buitenland’ was hij het kompas voor het internationale beleid van de Taalunie.

Willemyns verzette niet enkel bakens in de eerder vermelde vakgebieden, maar maakte in de laatste twee decennia van zijn loopbaan ook letterlijk school met een 'stamboom' aan onderzoekers in de historische sociolinguïstiek en de taalplanning. Elk nieuw hoofdstuk van zijn carrière in die domeinen ging gepaard met promotiekansen voor aanstormend jong talent. Zo werd niet enkel de kennis- en expertisetransfer verzekerd naar een nieuwe generatie, maar ook de zo belangrijke uitbouw van een middenkader dat op haar beurt het onderzoek verderzetten en vernieuwen kon, ook over de grenzen van de neerlandistiek heen. Dat diverse buitenlandse onderzoeksteams binnen en buiten Europa vandaag Willemyns’ onderzoekslijnen als blauwdruk gebruiken voor projecten rond sociale taalgeschiedenis, illustreert treffend het succes van die ‘successieplanning’.

Willemyns’ aanzien bij vakgenoten en zijn sturende rol in het wetenschapsbedrijf bleven in beginsel uiteraard gestoeld op de onbetwiste kwaliteit van zijn wetenschappelijke output. Het publicatiedossier is met een 280-tal titels indrukwekkend, zowel wat nationale als internationale bijdragen betreft. Dat laatste is - nogmaals - veelzeggend: Willemyns publiceerde ver buiten de landsgrenzen (zowel in Europa als in de VS en Canada) en in meerdere talen (Engels, Duits, Frans) op een ogenblik dat dit in zijn disciplines allesbehalve vanzelfsprekend was (of verwacht werd). Wars van bibliometrische dwang gebeurde dit bovendien in vooraanstaande vaktijdschriften en boekenreeksen. Editors van belangrijke (inter)nationale naslagwerken over taalvariatie, taalcontact en taalgeschiedenis verzochten hem bovendien gedurende zijn hele loopbaan om de bijdragen over het Nederlands en/of het Nederlandse taalgebied te schrijven.

Die grote en constante wetenschappelijke productie ging in retrospect gepaard met een opmerkelijke interne samenhang. Willemyns’ 'oeuvre' is inderdaad erg consistent in zijn verscheidenheid: over alle specialismen heen schreef hij een coherente, exhaustieve en toonaangevende analyse bij elkaar van de sociale en regionale variatie in het historische en hedendaagse Nederlands. Van dat academische werk verschenen (naast talloze populariserende lezingen) drie syntheses voor een ruimer publiek met Willemyns als (co-) auteur: Het verhaal van een taal (met zes herdrukken nog steeds een van de grootste bestsellers in het genre), Het verhaal van het Vlaams en Het verhaal van het Nederlands. Deze werken werden en worden wijd verspreid gebruikt als handboek - tot en met zijn recentste Engelstalige Dutch: biography of a language (Oxford University Press).

Wie het academische werk van Willemyns als taalkundige overschouwt, ten slotte, kan niet voorbij aan de sociale bewogenheid en de duidelijke taalintegrationistische visie die er als een rode draad doorheen lopen. Onderzoek naar regionale en sociale taalvariatie was onlosmakelijk verbonden met het actief verdedigen en koesteren van talige diversiteit (en van dialecten in het bijzonder), enerzijds, en met de overtuiging dat sociolinguïsten en taalhistorici een cruciale emancipatorische rol te spelen hadden in situaties van taalcontact en taalconflict. Willemyns stond voorop in de verdediging van de Nederlandse standaardtaal als symbool van de talige eenheid van Noord en Zuid én als volwaardige prestigetaal in de heikele taalpolitieke context van België en Brussel. Bij de oprichting van de Nederlandse Taalunie in 1980 werd hij dan ook overtuigd lid (en later bestuurslid) van de Raad voor Nederlandse Taal en Letteren, een engagement dat bijna 20 jaar zou duren. Ook zijn jarenlange bestuursfunctie bij het Instituut voor Nederlandse Lexicologie en zijn werk over de Germaans/Romaanse taalgrens en de Brusselse taalsituatie kaderden expliciet in die actieve taalplanningsvisie, met dien verstande dat wetenschappelijke inzichten voor hem altijd soeverein waren, en zich nooit mochten onderwerpen aan enig politiek belang. Sociaal engagement betekende voor Willemyns overigens ook kansen geven aan aankomende onderzoekers in zijn vakgebied; tien jaar lidmaatschap van de commissie taal- en letterkunde van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen liet hem dan ook toe om zich voluit te engageren voor de carrière van jonge academici.

De commissie weet zich in haar voordracht gesteund door de ruime erkenning voor Willemyns’ meesterschap gedurende zijn loopbaan, zowel binnen als buiten de landsgrenzen. In zijn prille carrière werd hij verkozen tot het jongste lid ooit van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Nadien bekleedde hij ereleerstoelen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk: hij was een van de eerste houders van de P.P. Rubens Chair in Berkeley en mocht ook de Belgian Chair aanvaarden van University College London; aan die laatste instelling hield hij verder de prestigieuze Pieter Geyl Memorial Lecture. De indrukwekkende lijst van gastprofessoraten binnen en buiten Europa omvat aanstellingen in Duisburg, Stanford, Austin, Chapel Hill en Ann Arbor, naast talloze uitnodigingen voor plenaire lezingen. Onder de burgerlijk onderscheidingen verdient zijn benoeming tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau ten slotte beslist een vermelding.

 

Op grond van al deze overwegingen is prof. dr. Roland Willemyns een waardig laureaat voor de Prijs voor Meesterschap van onze eerbiedwaardige Maatschappij, en draagt de Commissie voor taal- en letterkunde hem met unanimiteit voor.

 

De Commissie voor taal- en letterkunde,

in haar opdracht:

(w.g.)

dr. Ronny Boogaart

prof. dr. Wim Vandenbussche

prof. dr. Nicoline van der Sijs

 

Henriette Roland Holst-prijs 2014 voor David Van Reybrouck

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Henriette Roland Holst-prijs 2014 toegekend aan David Van Reybrouck voor zijn boek Tegen verkiezingen (2013). De prijs zal op 20 september 2014 te Leiden worden uitgereikt.

 

Advies van de Commissie van voordracht

Op 28 februari 2014 heeft de ondergenoemde Commissie van voordracht tijdens een vergadering in Utrecht unaniem besloten om het boek Tegen verkiezingen (2013) van de Vlaamse auteur David Van Reybrouck voor te dragen voor de Henriette Roland Holst-prijs 2014. De Commissie verzoekt het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde om instemming met deze voordracht.

Henriette Roland Holst-van der Schalk (Noordwijk 1869-1952 Amsterdam) was behalve dichteres en schrijver een hartstochtelijk socialiste. Zij had contact met Herman Gorter, Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht, was betrokken bij de Nederlandse poging tot revolutie in november 1918, schreef de Nederlandse tekst voor De Internationale en was als orthodox marxiste geruime tijd lid van de voorloper van de Communistische Partij Nederland (CPN). Literatuur diende volgens Roland Holst vooral geëngageerde literatuur te zijn, met als doel de emancipatie van de arbeidersklasse en het verwoorden van de onvrede met de bestaande wereld. Het omvangrijke oeuvre van Roland Holst bestreek vele genres: dichtbundels (al dan niet van socialistische aard), politiek werk (o.a. Kapitaal en arbeid in Nederland uit 1932), biografieën, toneelstukken, hoorspelen en een autobiografie.

De geëngageerde literatuur van de 21ste eeuw is niet meer die van Henriette Roland Holst. De tijd van grote linkse idealen lijkt voorbij te zijn. In een tijd waarin de Partij van de Arbeid (de opvolger van de SDAP waarvan Roland Holst ooit lid was) bereid is om zwaarbevochten verworvenheden als pensioenleeftijd en zorg in te ruilen voor regeringsdeelname en aankoop van gevechtsvliegtuigen, lijkt engagement een moeilijk te traceren fenomeen. Toch is het er nog, alleen vorm en aard verschillen tegenwoordig. Het boek Tegen verkiezingen van de Vlaamse auteur David Van Reybrouck is een bijzonder geëngageerd, eigentijds en confronterend pamflet.

Van Reybrouck (Brugge, 1971) weet in een sterk, kort en zeer vlot geschreven boek de lezer te overtuigen dat het instrument van loting een effectieve mogelijkheid is om onze machteloos geworden democratie weer tot leven te wekken en burgers, die steeds grilliger en minder gaan stemmen, weer te betrekken bij iets wat hen allen aangaat. In plaats van daadkrachtig besturen zijn politici grotendeels bezig met de volgende verkiezingen. Van Reybrouck doorbreekt dit ‘democratisch vermoeidheidssyndroom’ met een oud democratisch principe uit het klassieke Athene en de Renaissance (Venetië en Florence). De Commissie is ervan overtuigd dat Henriette Roland Holst de sociale bevlogenheid van de auteur en de originaliteit van zijn oplossing voor de eroderende democratie zou hebben kunnen waarderen.

 

Commissie van Voordracht

Dr P.J. (Perry) Moree,

Mw. drs G. (Gea) Schelhaas,

Mw. drs E.A. (Elsbeth) Kwant, Hilversum

 

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2014 voor Sander Kollaard

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2014 toegekend aan Sander Kollaard voor zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (Uitgeverij Van Oorschot). De prijs zal op 20 september 2014 te Leiden worden uitgereikt.

 

Advies van de Commissie voor Schone Letteren

De Commissie voor Schone Letteren moest dit jaar een grote hoeveelheid prozadebuten beoordelen, verschenen in 2012 en 2013. Een constatering die aanleiding lijkt te geven tot blijdschap, want de conjunctuur zit tegen en de boekenbranche maakt moeilijke tijden door.

Helaas rechtvaardigt de kwaliteit van veel van deze debuten nauwelijks een uitgave in boekvorm. Het betreft meestal autobiografische anekdotiek, die zonder veel literaire stilering de wereld in is gezonden. Originaliteit in de vormgeving is ver te zoeken en het experiment is zelfs morsdood. Het gebruik van de genre-aanduiding ‘roman’ lijkt vooral commerciële doeleinden te dienen.

Het is al te makkelijk alleen geldbeluste uitgevers verantwoordelijk te stellen voor deze situatie, al zouden zij scherper mogen selecteren en meer zorg kunnen besteden aan de tekstredactie. Ook de debuterende auteurs gaan niet vrijuit. Zij zouden minder snel tevreden kunnen zijn over hun werk en zich hoeden voor premature publicatie ervan.

Tot haar vreugde is de jury ook op verhalen en romans gestuit die getuigen van talent en inzet. De verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, geschreven door Sander Kollaard, maakte in dit opzicht de meeste indruk.

Het boek van Kollaard bevat veertien verhalen (de achterflap noemt abusievelijk het getal dertien), alle met dezelfde hoofdfiguur, Erik van Duijn, die tevens als verteller optreedt. De verhalen zijn chronologisch gerangschikt: in het eerste verhaal is Erik acht jaar oud en in het laatste is hij een man van middelbare leeftijd die mijmert over de dood. Dat het steeds om hetzelfde personage gaat, blijkt uit de dwarsverbanden tussen de verhalen. Zo wordt in het verhaal ‘Hoe ik een man met baard werd’ herinnerd aan de periode van somberheid die Erik als student beleefde, beschreven in ‘Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde’, en aan de mislukking van zijn eerste huwelijk, vermeld in ‘En Dassajev verbijsterd achterliet’.

Het boek van Kollaard behelst meer dan een willekeurige reeks autobiografische lotgevallen. De verhalen dwingen de lezer de wereld met nieuwe ogen te zien, hetgeen als het waarmerk van goede literatuur mag gelden. Na de lectuur kijkt hij anders naar wat doorgaans achteloos als ‘de werkelijkheid’ wordt aangeduid. De verhalen van Kollaard demonstreren dat die werkelijkheid geenszins solide is, met alle consequenties voor de identiteit van het centrale personage.

In het openingsverhaal van de bundel, ‘Onder het zand’, beeldt de achtjarige Erik zich in dat hij wegzakt in het zand van het strand: ‘Ik stelde mij voor hoe ik in het zand wegzakte en huiverde; razendsnel kroop de angst omhoog, alsof de kilte van die natte wereld optrok langs mijn benen. Ik probeerde mijn voeten los te trekken, maar kon mij niet bewegen’ (p. 11). Zijn reactie tegenover zijn vader, die hem is komen redden, getuigt van de beangstigende confrontatie met een onbekende wereld: ‘ “Onder het zand is ook heel veel, (...) allemaal dieren en schelpen“ ’ (p. 15) In het onderhavige geval contrasteert de angstervaring met de sensatie die Erik ondergaat tijdens het zien van Neil Armstrongs landing op de maan. Erik voelt zich ‘verbonden met de hele wereld’ (p. 13). Bevrijd uit het zand beweegt hij zich voort met de allure van de Amerikaanse astronaut: ‘Al rennend stelde ik mij voor dat ik op de maan liep. Mijn passen vertraagden en verlengden zich. Mijn voeten raakten het zand nauwelijks: ik vloog bijna’(p. 16).

Dat de wereld gevaarlijk instabiel is, ervaart Erik ook op latere leeftijd. In zijn studietijd kent hij een periode waarin hij zijn hand niet als de zijne herkent en zijn kamer slechts kan waarnemen als een onsamenhangende verzameling losse voorwerpen. Deze sensatie van desintegratie wordt afgewisseld met momenten waarop hij lijkt te versmelten met zijn omgeving. Op zoek naar hulp maakt hij bij toeval kennis met een eenzame oude man, die zijn vrouw heeft verloren. Erik ervaart ‘geborgenheid’ (p. 37) bij de man, een liefhebber van stijldansen. Samen dansen zij de foxtrot in een prachtige scéne die het schrijnende hoogtepunt vormt van het titelverhaal.

Het woord ‘werkelijkheid’ mag robuust klinken, de hoofdfiguur van Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde kan zich er vaak nauwelijks in handhaven. De wereld roept vragen op en vervolgens angsten. In ‘En Dassajev verbijsterd achterliet’ zoekt Erik van Duijn naar een verklaring voor het merkwaardige doelpunt dat Marco van Basten scoorde in de finale van het Europees Kampioenschap voetbal in 1988. Waarom liet de Russische keeper de op het oog houdbare bal gaan? Dassajev zelf gelooft in een wonder, veroorzaakt door een hogere macht. Hij is dan ook gelovig geworden en ziet onvermoede samenhangen, bijvoorbeeld tussen het verlies in de finale en het uiteenvallen van de Sovjet Unie.

Erik van Duijn geeft zich niet gewonnen aan het geloof. In plaats van deze capitulatie kiest hij voor een rationele benadering, als de werkelijkheid hem op ongerijmdheden vergast. In ‘Hoe ik een man met baard werd’ doet Erik een angstige ervaring op tijdens zijn ochtendlijke scheerritueel: ‘Mijn eigen gezicht kwam me voor als een masker waarachter een ander school, die er onmiskenbaar doorheen schemerde’(p. 78). Het gevoel van vervreemding voert hem achtereenvolgens naar een neuroloog en een psychiater. De laatste plaatst Eriks angst in een evolutionair perspectief: ‘Dat is wat u parten speelt: een miljoenen jaren oude angst voor een onbegrepen wereld, die elk moment kan toeslaan met een fatale wending van het lot’(p. 84).

Ook in dit verhaal weet Erik van Duijn zijn crisis te overwinnen. Hij is niet iemand die zich overgeeft aan de verwarring. Integendeel, hij houdt van ‘de schoonheid die voortvloeit uit een trefzekere ordening’ (p. 18), streeft ernaar zijn periodieke reizen zo precies mogelijk te herhalen en kent een hang naar ‘orde’ en ‘doelmatigheid’ (p. 142). Het verbaast dan ook niet dat hij behept is met een fobie voor slangen, die vanuit ‘een volstrekte roerloosheid’ tot ‘een razendsnelle beweging’ kunnen komen, aldus ‘het noodlot’ symboliserend (p. 126).

Het werk van Sander Kollaard biedt de lezer een boeiende, maar verontrustende visie op de wereld. De vertrouwde grenzen en verbanden zijn daarin niet langer van kracht. De verhalen zijn zorgvuldig geschreven, in een mild ironische stijl. Een fraai voorbeeld van deze schrijftrant vormt het visitekaartje in het titelverhaal waarop een helderziende alle denkbare problemen belooft op te lossen, variërend van ‘examens’ en ‘opheffen van vervloekingen’ tot ‘auto’. De jury kan een dergelijk voertuig niet in het vooruitzicht stellen: het zou een te forse aanslag betekenen op het budget van de Maatschappij. Zij draagt Sander Kollaard met zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde echter wel unaniem voor ter bekroning met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2014.

 

Kester Freriks, voorzitter

Pia de Jong

Ester Naomi Perquin

Gerard Raat

Yves T’Sjoen

 

Frans Kellendonk-prijs 2014 voor Esther Gerritsen

Rapport van de Commissie van voordracht

De schrijfster Esther Gerritsen (1972) zoekt in haar proza voortdurend de grens op tussen normaal en zonderling gedrag, en tussen publieke en privé-zaken. Haar inzet is iets van mensen te snappen, en ‘fictie is dé manier om te onderzoeken hoe mensen in elkaar zitten’, aldus Gerritsen zelf. Haar romans gaan over de binnenwereld van vrouwen, en hoe die intieme wereld kortsluiting maakt met de buitenwereld. Vervreemding, onvertrouwdheid, onhuiselijkheid: de gezinsverbanden in Gerritsens boeken zijn geen havens of bakens, maar plekken waar het leven een gevecht is. Dat gevecht beschrijft ze niet zonder humor. Gerritsen ziet het pijnlijke in het grappige, en het grappige in het pijnlijke, in de relaties tussen mensen.

Elisabeth, de moeder in Gerritsens laatste en indrukwekkende roman Dorst (2012), komt er rond voor uit dat ze niet geschikt is voor het moederschap en dat ze zonder haar dochter kan. Als haar dochter Coco toch bij haar gaat wonen omdat Elisabeth ongeneeslijk ziek is en binnenkort zal sterven, zorgt deze ‘ongewenste zorg’ voor een precaire en verwrongen situatie in huis. Net als bij haar eerste roman Tussen een persoon (2002) waarin hoofdpersoon Lucie haar man met ducktape vastbindt op bed omdat ze niet wil verhuizen. Coco sluit haar moeder uiteindelijk op, en Elisabeth sterft een eenzame dood. Maatschappelijk gezien zijn dat ongewilde situaties, die afschuw en verontwaardiging oproepen. In Superduif (2010) wil Bonnie, de dertienjarige hoofdpersoon, het liefst dood, maar door te transformeren in een reddende superduif verdwijnt ze in haar fantasiewereld. Dominique in Een kleine miezerige god (2008) verzint haar eigen godje om het leven aan te kunnen, en ook zij eindigt helemaal alleen. Geen van allen passen ze zich aan aan wat de omgeving van ze vraagt of verlangt. ‘Wel of niet deugen, dat bestaat niet voor mij,’ zegt Gerritsen er zelf over. Dat leidt er wel toe, dat in al haar romans eenzaamheid het slotstuk is.

Haar personages belanceren vaak op de rand van de psychose, en juist daar is voor de lezer scherp te zien hoe hoog de eisen zijn die de maatschappij aan mensen stelt, en hoe velen ten onder gaan. De gebruikelijke sociale logica en omgangsvormen worden door de schrijfster meteen buiten werking gesteld. Zodra het irrationele leidend wordt in het verhaal, is Gerritsen op haar best.

Ook op de korte baan is Gerritsens werk maatschappelijk onaangepast te noemen. Haar columns, gebundeld in Jij hebt iets leuks over je en Ik ben vaak heel kort dom zijn stuk voor stuk kleine case studies van personages en verhaallijnen; de grens tussen werkelijkheid en verhaalwereld lijkt vaak bescheiden. Of Gerritsen nu schrijft over haar liefde voor tv-series als Dallas (‘Ik denk dat mijn wereldbeeld is gevormd in de jaren tachtig door de eerste soap die ik in mijn leven zag’) of over de onwenselijkheid van het niet nuttigen van een bestelde kop koffie (‘Waarom zou het geen verspilling zijn wanneer die koffie opgedronken wordt, maar wel wanneer die koffie daar blijft staan?’), Gerritsen stelt vragen bij de sociale conventies rond ons handelen en denken, conversaties en andere menselijke interacties. Ze onderwerpt het dagelijks leven aan een minutieus onderzoek, niet zozeer uit een diep verlangen dit werkelijk te begrijpen, maar om een werkelijkheid te scheppen waarmee zij uit de voeten kan. In ‘In mijn bibliotheek kan dat’ schrijft Gerritsen dat ze als kind besefte dat ze ‘nieuw was in een oude wereld en dat alles wat ik was (dacht en voelde) ergens in zou passen, omdat er al zoveel was, zoveel dat ik nog onmogelijk kon overzien. (...) Door het schrijven leerde ik later de dingen steeds weer anders te zeggen, te herschrijven dus. Net zolang tot het klopte en ik mijn gedachten had omgezet in iets tastbaars en zo had ontdekt waar die gedachte in paste.’ Het resultaat is een particulier universum waarin het voor de lezer verwonderd dwalen is.

In haar romans zet Gerritsen tegenover de maatschappelijke verwachtingen die aan haar personages gesteld worden, de kracht van de intimiteit. Oek de Jong schreef onlangs in zijn essay Wat alleen de roman kan zeggen dat de ‘verbeelding van het intieme’ een van de kenmerken is waarin de roman zich onderscheidt van andere kunstvormen. De roman kan bij uitstek onze ‘innerlijke wereld’ beschrijven. En dat doet Gerritsen, en wie weet is dat ook de reden waarom ze van toneel naar de roman is overgestapt. De lezer wordt verleid de kronkelige gedachtengangen te volgen van haar onconventionele vrouwen. Hun intieme binnenwereld zien we, en we kijken door hun ogen naar buiten. Het is een unieke blik.

Niet alleen in haar onderwerpkeuze, maar ook in haar stijlgevoel is Gerritsen een buitencategorie. Haar absurdistische logica en subtiel-humoristische stem maken iedere zin in haar romans en columns een ‘typische Gerritsen’. Dat is bijzonder in de Nederlandse letteren en dat is een belangrijke overweging geweest van de jury om Esther Gerritsen te nomineren voor de Frans Kellendonk-prijs. Voor Kellendonk was een superieure en onderscheidende stijl hét mes om de maatschappij, sociale gewoontes en vooronderstellingen mee te fileren. Dat lemmet past wonderwel in de hand van Gerritsen. Daarom draagt de jury haar op grond van haar gehele oeuvre en met volle overtuiging voor voor de Frans Kellendonk-prijs 2014.

 

Commissie van voordracht

Jasper Henderson

Ton van Kalmthout

Maria Vlaar

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft besloten op grond van het bovenstaande rapport de Frans Kellendonk-prijs 2014 toe te kennen aan Esther Gerritsen. De prijs is op 24 februari 2014 te Nijmegen aan haar uitgereikt.

 

Bronzen plaquette gewijd aan Vasalis in Leiden onthuld

Op woensdag 4 december 2013 jl. is vanwege de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden om 13.00 uur een door de beeldhouwer Aart Schonk ontworpen bronzen plaquette gewijd aan Vasalis onthuld.

De plaquette is aangebracht op het woonhuis Lijsterstraat 36 te Leiden, onder het raam van de studentenkamer (hoek Leeuwerikstraat) waar Vasalis tussen 1927 en 1934 heeft gewoond toen zij aan de Leidse universiteit geneeskunde studeerde.

Vasalis, een pseudoniem van Margarethe Drooglever Fortuyn-Leenmans, leefde van 1909 tot 1998. Ze heeft een klein oeuvre nagelaten. Voor haar Parken en woestijnen kreeg ze in 1941 de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs (1941) van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Later, voor haar hele oeuvre, ontving ze de Constantijn Huygensprijs (1974) en de P.C. Hooftprijs (1983). Haar laatste dichtbundel Vergezichten en gezichten dateert uit 1954. Postuum verscheen De oude kustlijn (2002).

Veel geciteerde dichtregels van haar zijn:

Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn
maar het afgesneden zijn.

De plaquette is op initiatief van de huidige bewoners, de heer mevrouw Dirken, en gesteund door de Commissie Gevelstenen van de MNL (dr. Eep Francken, dr. Nelleke Moser, drs. Carla van der Poel en dr. Louk Tilanus) tot stand gekomen.

De Commissie Gevelstenen van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde is ingesteld om via het aanbrengen van gedenktekens (plaquettes, gedenkstenen, gevelstenen e.d.) het literair erfgoed in Leiden en elders levend te houden.

Inmiddels heeft de Maatschappij vier gedenktekens buiten Leiden laten plaatsen (Parijs - C. Busken Huet, Amsterdam - G.A. Bredero, Den Haag - C. Vosmaer, Alkmaar - A.L.G. Bosboom-Toussaint).

In Leiden zelf zijn gedenktekens te vinden van Frans van Lelyveld (Hogewoerd 126b), Willem Bilderdijk (Rapenburg 37), J. Kneppelhout (Rapenburg 65), Jacob Geel (Rapenburg, tussen nr. 93- nr. 95), Albert Verwey (Kloksteeg 25), A.W. Sijthoff (Doezastraat 1), Nicolaas Beets (Breestraat 114 C) en F.B. Hotz (Rijnsburgerweg 75).

Hal Drooglever Fortuin, zoon van Vasalis (rechts) onthult onder het toeziend oog van  Peter Sigmond, voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (links) de plaquette
Hal Drooglever Fortuin, zoon van Vasalis (rechts) onthult onder het toeziend oog van Peter Sigmond, voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (links) de plaquette
Hal Drooglever Fortuin, zoon van Vasalis
Hal Drooglever Fortuin, zoon van Vasalis
Beeldhouwer Aart Schonk
Beeldhouwer Aart Schonk
Begeleidend bordje
Begeleidend bordje
De plaquette
De plaquette
 

Grote schenking Friese taal- en letterkunde in Universiteitsbibliotheek

De bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (MNL), die is ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek Leiden, ontving van het Feitsmafonds ca. 550 titels op het gebied van de Friese taal- en letterkunde en geschiedenis. De boeken zijn afkomstig uit de bibliotheek van Prof. Dr. Anthonia Feitsma (1928-2009), oud-hoogleraar Friese taal- en letterkunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Ze bracht een indrukwekkende bibliotheek bijeen, waarin haar brede belangstelling en behoefte aan grondige documentatie tot uitdrukking komt. In eerste instantie heeft Tresoar in Leeuwarden uit haar bibliotheek mogen opnemen wat nog niet aanwezig was op de terreinen waarop Tresoar collectioneert (ca. 2500 titels). Op het gebied van het Fries was al veel in Tresoar aanwezig. Uit de rijke verzameling die overbleef heeft de Maatschappij ca. 550 titels geselecteerd. Deze collectie vormt een enorme uitbreiding van de bestaande collectie Friese taal- en letterkunde, waarvoor de grondslag in de negentiende eeuw gelegd werd door Eelco Verwijs (1830-1880) die al zijn boeken aan de MNL vermaakte. Sindsdien ontstonden er grote lacunes die deels werden opgevuld door de ca. 850 titels uit de bibliotheek van Prof. Dr. E.G.A. Galama, oud-hoogleraar Fries in Leiden, die de MNL in 2001 verwierf. Door de schenking-Feitsma is het Friese bezit van de MNL aanzienlijk versterkt, zodat die na de collecties van Tresoar en de Koninklijke Bibliotheek als de grootste in ons land mag gelden.

 

Laureatenavond 2013

ter gelegenheid van de toekenning van de Henriette de Beaufort-prijs 2013 aan Gita Deneckere en de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs aan Kira Wuck

Woensdag 1 mei 2013

Universiteitsbibliotheek Leiden

Programma

20.00   Verwelkoming door de Voorzitter, Peter Sigmond

20.10   Gita Deneckere, n.a.v. Leopold I. De eerste koning van Europa met een interview door Henk te Velde

21.00   Kira Wuck, n.a.v. Finse meisjes met muzikale bijdragen van Olaf Caarls en een interview door Aleid Truijens

21.50   Receptie

 

1813-2013  200 jaar koninkrijk: de mythe van 1813?

Themabijeenkomst georganiseerd door de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde

Maandag 22 april 2013, 13.30-18.00 uur

Plaats: Universiteitsbibliotheek Leiden, Zaal Zuidhal, 2e verdieping

In het najaar van 2013 zal 200 jaar koninkrijk uitgebreid gevierd worden. Met de jaarlijkse themamiddag - dit keer onder de titel 1813-2013 200 jaar koninkrijk: de mythe van 1813 - preludeert de Commissie voor Taal en Letterkunde hierop. Vijf sprekers zullen op 22 april vanuit verschillende invalshoeken en disciplines de aanstaande viering, de historische context en mythevorming belichten.

Alle belangstellenden worden van harte uitgenodigd de middag bij te wonen.

Namens de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde:

Nelleke Moser, Jan Oosterholt en Marijke van der Wal (organisatoren).

Graag een aanmelding van uw komst, vóór 8 april, naar m.j.van.der.wal@hum.leidenuniv.nl

PROGRAMMA

1813-2013  200 jaar koninkrijk: de mythe van 1813?

13.30 uur Zaal open

14.00 uur Opening van de themamiddag door Marijke van der Wal (Universiteit Leiden)

1e deel programma voorgezeten door Nelleke Moser (VU Amsterdam)

14.05 - 14.35 uur Henk te Velde (Universiteit Leiden)
1813: geschiedenis van een mythe

14.35 - 15.05 uur Lotte Jensen (Radboud Universiteit Nijmegen)
Nappie, daar ga je! Nederlands verzet tegen Napoleon

15.05 - 15.35 uur Ellen Krol (Karelsuniversiteit Praag)
“Het twistend kroost, dat u verstiet.” Gedichten over Oranjes terugkeer in 1813

 

15.35 - 16.00 uur Pauze

 

2e deel programma voorgezeten door Jan Oosterholt (Universiteit van Amsterdam)

16.00 - 16.30 uur Frans Grijzenhout (Universiteit van Amsterdam)
Tussen Bull en Boney. De Nederlander in de Europese satire 1780-1820

16.30 - 17.00 uur Janneke Weijermars (Radboud Universiteit Nijmegen & RU Groningen)
‘Nu 'k als Belg herleéf’. De Zuidelijke Nederlanden in de eerste jaren onder Willem I

17.00 - 18.00 Afsluiting en borrel aangeboden aan de deelnemers door het bestuur van de Maatschappij.

TOELICHTING

Henk te Velde, 1813: geschiedenis van een mythe

Vanaf het begin is 1813 gepresenteerd als een groot moment in de Nederlandse geschiedenis. Dat gebeurde met zoveel retorisch geweld, dat na enige tijd een reactie niet kon uitblijven. Al aan het einde van de negentiende eeuw ontstond enige gêne over de 1813-retoriek. In de laatste decennia van de twintigste eeuw moest 1813 als funderend moment in de Nederlandse geschiedenis onder historici ook nog eens veel inleveren door de herwaardering van de eraan voorafgaande periode. Na een beschouwing van de herdenkingsgeschiedenis en de historiografie zal ik de vraag stellen wat er van 1813 (en de periode 1813-1815) over is na de mythe.

 

Lotte Jensen, Nappie, daar ga je! Nederlands verzet tegen Napoleon

Het jaar 1813 wordt vaak als het beginpunt van een nieuwe periode in de Nederlandse geschiedenis beschouwd: na de bevrijding van de Fransen ontstond een ware verheerlijking van het vaderland en kwam het nationalisme tot volle bloei. Dergelijke uitingen van vaderlandsliefde gingen echter terug op een verzetscultuur die al tijdens de Napoleontische overheersing vorm kreeg. Er waren verschillende vormen van theatraal verzet: welke rol speelde het toneel in het verzet tegen de Franse keizer? En in hoeverre speelde de Nederlandse identiteit daarbij een rol?

Ellen Krol, “Het twistend kroost, dat u verstiet.” Gedichten over Oranjes terugkeer in 1813

De terugkeer van Oranje wordt in 1813 en 1814 uitbundig bezongen door Nederlandse dichters. De verzen van dichters als M. Westerman, H.A. Spandaw, W. Bilderdijk, K.W. Bilderdijk-Schweickhardt, P. Moens, H.H. en B. Klijn en anderen zijn verschenen als gelegenheidsdrukwerk en soms later opgenomen in hun dichtbundels. Hoe voltrok zich de ontvangst van Oranje in dit gelegenheidsdrukwerk in chronologisch opzicht en welke inhoudelijke thema’s bespreken deze gedichten?

Frans Grijzenhout, Tussen Bull en Boney. De Nederlander in de Europese satire 1780-1820

De revolutionaire decennia rond 1800 worden gekenmerkt door een enorme satirische productie, in woord en beeld. In deze dynamische tijden, waarin de machtsverhoudingen permanent wisselden, lijkt desondanks een sterke behoefte te hebben bestaan aan stabiele beelden van al die naties in beroering. Nationale (zelf)beelden en Europese wisselwerkingen staan centraal in deze bijdrage.

Janneke Weijermars, ‘Nu 'k als Belg herleéf’. De Zuidelijke Nederlanden in de eerste jaren onder Willem I

Terwijl Nederland eind november 1813 op het Scheveningse strand zijn nieuwe vorst binnenhaalde en Napoleon door deze feestelijke gebeurtenis naar de achterkamers van het collectieve geheugen werd verdreven, stonden de Zuidelijke Nederlanden nog met twee benen in de Franse Tijd. De Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden werden vervolgens samengevoegd onder deze Oranjevorst Willem I, maar die nieuwe staatkundige constructie voltrok zich zonder dat de Zuid-Nederlanders er erg in hadden. Ze hadden ook wel iets anders aan hun hoofd dan na te denken over een gedeelde toekomst met het Noorden: de Fransen bevonden zich nog op Zuid-Nederlandse bodem en lieten er een spoor van verwoesting achter. Pas op 5 mei 1814 viel Antwerpen als laatste stad. In de eerste jaren van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden doet koning Willem I verwoede pogingen het Zuiden voor zijn rijk warm te laten lopen, terwijl de zuiderlingen hun wonden likken en fantaseren over de terugkeer van hun Belgische volksaard. De Zuid-Nederlandse literatuur uit deze periode laat zien dat de neuzen in Willems koninkrijk allerminst dezelfde kant opstaan.

 

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2013 voor Kira Wuck

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2013 toegekend aan Kira Wuck voor haar dichtbundel Finse meisjes (Uitgeverij Podium). De prijs zal op 25 mei 2013 te Leiden worden uitgereikt.

Het rapport van de Commissie van voordracht luidt als volgt:

Dichtkunst is allang niet meer het literaire genre dat zich uitsluitend in de stilte tussen de bladzijden bevindt. Een stilte die benadrukt wordt door het wit van de bladspiegel eromheen. Performance, voordracht, poetry slam, vaak begeleid door muziek of anderszins, zijn een steeds hechter band aan gegaan met de dichtkunst.

Dichteres Kira Wuck (1978) is winnaar van het Nederlandse Kampioenschap Poetry Slam 2011. Dit betekent echter niet dat haar gedichten per se hun zeggingskracht ontlenen aan de gedreven voordracht. Wuck is van half Indonesische, half Finse afkomst en ze groeide op in Amsterdam. Haar moeder was van Finse afkomst, haar vader Indonesisch. Het is verleidelijk de culturele kenmerken van deze beide nationaliteiten, het noordelijke Fins en het tropische Indonesisch, op te speuren in haar werk. Deze invalshoek levert een verrassende ontdekkingsreis door haar debuutbundel Finse meisjes (2012). De bundel ontleent zijn grote kracht aan de balans tussen grote tegenstellingen, die Wuck op voortreffelijke wijze in evenwicht houdt. Met tal van deze gedichten wist ze tijdens voorleesavonden op poëziefestivals het publiek te boeien, en wie de gedichten hardop leest merkt hoe ritmisch sterk en verrassend van schakering in tempo en observatie zijn geschreven. In dit opzicht is het titelgedicht ‘Finse meisjes’ een toonbeeld van haar poëtica: de verbinding van het lagere en hogere, van liefde en alledaagsheid, van verwachting en teleurstelling:

Finse meisjes zeggen zelden gedag

maar zijn niet verlegen of arrogant

je hebt alleen een beitel nodig om dichtbij te komen

ze bestellen bier voor zichzelf

reizen de hele wereld af

terwijl hun mannen thuis wachten

(---)

ze hangen rond in bushokjes

en soms naakt in een meer

Het knappe van dit gedicht is de spanning tussen de achtereenvolgende, schijnbaar terloops geformuleerde mededelingen. De twee eerste regels hebben nog niets verontrustends, hoewel er tussen meisjes die geen gedag zeggen en diezelfde meisjes die ‘niet arrogant of verlegen’ zijn een onderhuidse discrepantie schuilt. De lezer is alvast gewaarschuwd. En dan komt de derde regel als een ferme klap: je hebt een beitel nodig. En waarom? Om ‘dichtbij te komen’. Dat is een sublieme wending. Er staat niet: je hebt een beitel nodig om ze open te breken of om hun mogelijke arrogantie te splijten, nee, om ‘dichtbij te komen’. Finse meisjes dragen kennelijk een aureool om zich heen, noem het een bevroren meer van afstandelijkheid. Maar als je dichtbij bent, ben je er nog niet, zegt de dichteres. Want neem de volgende regels over het bier dat ze voor zichzelf bestellen en dat ze de wereld rondreizen terwijl hun mannen thuis wachten. Mannen? Het zijn toch meisjes, getrouwde Finse meisjes dus.

Bij Kira Wuck gebeurt er van alles tussen de regels. Ze maakt sprongen die pas halverwege het gedicht of aan het slot, soms zelfs helemaal niet, door de lezer of toehoorder begrepen kunnen worden. Een groots gedicht van een bijzondere vertellende kracht is ‘Mijn ouders zijn goed in ontvreemden’. Het kleine kind dat Wuck opvoert erkent in de eerste strofe dat zijzelf op de kleuterschool een houten paardje steelt, niet omdat ze het zo mooi vind maar omdat ‘niemand het ziet als ik het in mijn zak stop’. Meteen daarop volgt de meer algemene regel, een echte fraaie sententie: ‘de meeste dingen gebeuren tijdens iemands afwezigheid’.

Dan gaat ze per strofe haar familie langs met elk een persoonlijk incident van het vervreemden: een vader die zwart rijdt met zijn dochter, een vader die zijn elpees nooit terugbrengt naar de bibliotheek. Dat is tot daaraan toe, dat zijn materiële zaken. Maar een ‘moeder (die) verliefd is op mijn logopedist/ ze komt het huis niet uit, behalve voor mijn spraaklessen’? Dat is immaterieel. En dus kennelijk ook een vorm van ‘ontvreemden’, want ze ontvreemdt haar man de liefde en brengt die liefde naar de logopedist. In de volgende strofe zijn we in de bibliotheek en daaropvolgend (inmiddels de vijfde) bevinden we ons in de tram waar vader en dochter door mannen in blauwe jassen betrapt worden. En bijna als terloops noteert Wuck: ‘ik hoor het adres van een oude kennis, dat de conducteur noteert/ hetzelfde adres voor rekeningen van de bibliotheek’.Dit gedicht gaat over het volwassen worden, zoals uit de laatste van de acht strofen blijkt: ‘Mijn vader leert mij fietsen en laat mij los op een berg/ mijn voeten zoeken de trappers en ik ben bang/ maar hij weet dat ik het kan vandaag.’ Deze vader, die zo goed is in het ontvreemden van elpees en zwartrijden in de tram, ‘ontvreemdt’ zijn dochter ook iets, namelijk angst. Maar hij doet dat door haar het tegendeel te schenken: hij geeft haar zekerheid.

Familie speelt een beslissende rol in deze bundel. Vader en moeder, grootmoeder. Familieleden zijn de ijkpunten van iemands bestaan en als zij wegvallen, dan moet een nieuw houvast bevochten worden. Kira Wuck benadrukt dat in vele gedichten. Dat hieraan een autobiografisch gegeven ten grondslag ligt, valt buiten het kader van deze woorden van waardering. Al hebben de gedichten van Wuck een stijl die parlando heet, het zijn beslist geen kabbelende regels. Meteen in het eerste gedicht zet zij de toon voor een bundel die schijnbaar alledaagse en achteloze observatie verbindt met een geëmotioneerde ondertoon:

Hierna drink ik niet meer doordeweeks zei ik

en vroeg aan willekeurige oude mannen

onder aan roltrappen of ze mijn opa waren

eentje antwoordde dat het hem speet.

Treffend is de plaats waar de ik figuur en de oude mannen elkaar ontmoeten: onder aan roltrappen. De vragen die zich aandienen zijn interessant: wil de ik figuur met de mannen naar boven? Of staat ze onderaan de roltrappen de mannen op te wachten? Getuige de volgende regel geniet de laatste optie de voorkeur, want: ‘Toen ik hem vond liepen we door de stad.’ Als we het beeld scherp voor ogen willen halen, dan lijkt het alsof de ik de oude mannen onderaan de roltrappen heeft opgewacht. Ze komen dus van boven naar beneden, ja, vanuit de hemel omlaag.

Goede poëzie nodigt de lezer uit mee te denken, mee te dichten, het gedicht als het ware te voltooien. Kira Wuck is een geraffineerd dichteres. Hoewel haar toon argeloos en terloops is, alsof ze haar inspiratie opdoet bezijden de grote gebeurtenissen in de wereld, getuigen haar gedichten van een bijzonder talent om in die subtiele achteloosheid grote thema's als liefde, familie, betrokkenheid en verlangen naar saamhorigheid aan te snijden. De jury van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2013 is unaniem verrast door de hoge kwaliteit van de bundel Finse meisjes waarin complexiteit en eenvoud, hoge thematiek en herkenbare waarnemingskunst elkaar schitterend en overtuigend in balans houden. Kira Wuck heeft haar kwaliteiten al ten zeerste bewezen tijdens haar bijzondere poëzievoordrachten. Deze voordracht tot bekroning maakt duidelijk dat haar werk niet minder overrompelend op het wit van het papier.

De Commissie van voordracht: Elke Brems, Pia de Jong, Kester Freriks (voorzitter) Ester Naomi Perquin en Gerard Raat

Zie voor een video over de laureaat:

 
Video
 

Henriëttte de Beaufort-prijs 2013 voor Gita Deneckere

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de Henriëtte de Beaufort-prijs 2013 toegekend aan Gita Deneckere voor haar biografie Leopold I. De eerste koning van Europa 1790-1865 (WPG uitgeverij België, De Bezige Bij Antwerpen), verschenen in 2011. De prijs wordt op 25 mei 2013 uitgereikt in het Academiegbouw te Leiden.

Het rapport van de Commissie van voordracht luidt als volgt:

De Henriëtte de Beaufortprijs bekroont om de drie jaar een in het Nederlands geschreven biografie of autobiografie, afwisselend van de hand van een Nederlandse en Vlaamse auteur. Het genre van de biografie is allesbehalve eenduidig. De rode draad in de diverse omschrijvingen ervan is echter dat levensverhaal en tijdsbeschrijving interfereren en daardoor nieuw licht werpen op de betrokken persoon en de omgeving waarin hij geleefd heeft. Precies in de verstrengeling van het persoonlijke en het bredere historisch kader, van levensverhaal en feitelijke geschiedenis eromheen ligt de aantrekkingskracht en het succes van de biografie. Het is een genre dat de laatste jaren ook in Vlaanderen een inhaalbeweging heeft meegemaakt die geleid heeft tot een aantal kwalitatief hoogstaande, vaak volumineuze werken. De jury van de Henriëtte de Beaufortprijs mocht dat tot haar vreugde (zij het met enige bezorgdheid voor het vele leeswerk) constateren. Zij heeft zich uiteindelijk niet laten leiden door al te theoretische bespiegelingen rond wat het genre vereist of dient te vermijden, maar door een globale leeservaring. Op grond daarvan wenst ze ter bekroning in 2013 voor te dragen Leopold I. De eerste koning van Europa 1790-1865 van Gita Deneckere, verschenen in 2011. Met dit werk presenteert de auteur een indringende biografie over en rond Leopold I, de eerste koning der Belgen, maar tevens, zoals de titel terecht aangeeft, ook ‘eerste koning van Europa’, omdat de lezer aan de hand van Deneckere, interessante uitstapjes maakt naar diverse landen, vorstenhuizen en politieke ontwikkelingen in de negentiende eeuw..

Want Gita Deneckere weet ‘breed’ te schrijven, waardoor het leven van Leopold I op een natuurlijke wijze is ingekaderd. Hoewel hij de hoofdfiguur is van deze biografie wordt hij in het grotere gebeuren van de negentiende-eeuwse ontwikkelingen niet altijd als centrale figuur neergezet. Hij blijkt ook vaker een bijrol te hebben of achter de coulissen te werken als bemiddelaar dan een leading man te zijn. In dat opzicht laat Deneckere duidelijk zien dat zij in de eerste plaats historica is en pas daarna biografe. Daarin onderscheidt deze biografie zich van andere, ook uitstekende biografieën, waarin de auteurs de beschrevene in de regel dichter op de huid zitten. Dat kan als bezwaar worden gezien, maar is volgens de jury tegelijkertijd ook de kracht van haar studie, waarin zoveel meer wordt geboden dan het verhaal van een enkel persoon. De lezer wordt via het verhaal van Leopold en de familiegeschiedenis van de Van Saksen-Coburgs meegezogen in een belangrijkstuk van de Europese geschiedenis van de negentiende eeuw..

Leopold I was namelijk een telg uit de dynastie Saksen Coburg en Gotha die toentertijd in Europa, ondanks haar provincialistische komaf, een grote politieke invloed verkreeg door een uitgekiende huwelijkspolitiek, een fijnmazig familiair netwerk en de levering van kandidaten voor de troon van verweesde koninkrijken. Nadat een aanstelling tot koning van Griekenland mislukt was, aanvaardde hij in 1831 het koningschap van de kersverse staat België.

De massale belangstelling voor al wat met ‘royalty’ te maken heeft vormt een treffend bewijs voor de stelling dat onze moderne tijd nog niet los is geraakt van een instituut als het erfelijk koningschap, ook al leeft Leopold I niet echt voort in het collectieve geheugen van de Belgische natie. Toch heeft Deneckere zich in deze historische figuur verdiept in het besef dat de geschiedenis van het koningschap een bij uitstek ‘sociale’ geschiedenis is, zij het van een bovenlaag, van een elite die ver boven de massa verheven bleef. Anderzijds speelt ook het persoonlijke, autobiografische element een belangrijke rol in deze biografie, omdat de vertrouwelijke correspondentie van Leopold I met tal van collega-vorsten en andere hooggeplaatste personen de ruggengraat vormt van dit volumineuze boek. Daardoor is het geen traditionele ‘vorstenbiografie’ geworden, noch een strikt Belgisch geschiedverhaal. Integendeel, het nationale kader wordt van bij het begin doorbroken, met als resultaat dat het direct of indirect aan Leopolds ‘Coburg-clan’ gekoppelde panorama zich over een wijd gebied verspreidt: Duitse, Russische, Britse, Griekse, Franse, Oostenrijkse, zelfs Mexicaanse, maar natuurlijk ook Belgische verhaallijnen waaieren uit en maken de biografie tot een ‘transnationale geschiedenis’ (p. 22).

Dat is meteen het verrassende en boeiende aan deze studie die leest als een, zij het soms wat digresserende, achttiende-eeuwse roman: de samenvattende titelomschrijvingen à la Fielding van de chronologisch op elkaar volgende hoofdstukken wekken de nieuwsgierigheid van de lezer en wijzen terzelfder tijd, via subtiele prikjes, op een dieperliggend niveau waarop deze studie kan worden gelezen, nl. hoe het conservatieve gedachtegoed van Leopold “doet na-denken over geschiedenis en vooruitgang, autoriteit en leiderschap, vrijheid en gelijkheid, democratie en dictatuur, oorlog en vrede. Het legt een brug tussen het neoconservatisme vandaag en de angst voor democratie in het tijdsgewricht waar de Franse Revolutie en Napoleon hadden huisgehouden” (p. 25).

Ruggengraat van het boek is, zoals reeds gezegd, de briefwisseling tussen Leopold en collega-vorsten, vooral dan die met zijn nicht, de dertig jaar jongere koningin Victoria van Engeland. In de negentiende eeuw was de brief bij uitstek het middel om contact te houden en netwerken op te zetten. Deneckere heeft die uitgebreide briefwisselingen – sommige reeds uitgegeven, vele andere nog in de archieven – grondig bestudeerd, geciteerd en geparafraseerd, zodat de lezer in staat wordt gesteld de innerlijke zielenroerselen en persoonlijke bespiegelingen van Leopold en de andere briefschrijvers en -schrijfsters te volgen. De vertrouwelijkheid en openhartigheid van die gigantische briefwisseling – bij Leopold, en ook bij Victoria, was het devies niet ‘nulla dies sine linea’, maar veeleer ‘nulla dies sine epistola’ (of beter ‘epistolis’!) – is van uitzonderlijke waarde voor de authenticiteit van de biografische gegevens. Zoals Deneckere het zelf weergeeft: “Het was de openhartigheid die me meteen trof, de zeer directe formulering van de intiemste gedachten en gevoelens door vorsten met een enorme epistolaire cultuur en lust voor het schrijven” (p. 10).

Mede door die vele brieven en door de talloze pogingen om via andere contacten, zij het vaak van aan de zijlijn, de politieke ontwikkelingen in Europa mee te sturen, komt Leopold ook als mens van vlees en bloed goed naar voren. Dit is vooral het geval in zijn beschrijving van de familierelaties, de hechte band met zijn eerste vrouw, de People's Princess Charlotte, wier vroegtijdige dood hij niet meer te boven zou komen, de veel afstandelijkere relatie tot zijn tweede vrouw, Louise d’Orléans, de moeizame band met zijn zoons en de controversiële buitenechtelijke relaties die hij erop na hield.

In het overleg met koningin Victoria komt ook goed naar voren dat beide vorsten wel degelijk beseften dat het absolutisme van het ancien régime definitief verleden tijd was: het opkomende liberalisme en het steeds verdergaande democratiseringsproces vereisten een koningschap nieuwe stijl. Dat gold zeker voor België, dat na de losmaking van Nederland zijn bestaansrecht als een volwaardige staat moest gaan bewijzen en hiervoor de samenbindende stimulans van een algemeen geliefd koningschap niet kon ontberen. Om een vergaande uitholling van zijn taak te voorkomen probeerde Leopold I voor zichzelf een bevoogdende rol in de politiek veilig te stellen en tegelijkertijd over de echelons van bestuurders en notabelen heen – met oog voor de moeilijke evenwichtsoefening tussen katholieken en liberalen - populariteit bij het volk te verwerven.

Bezwaren tegen de wat eenzijdige nadruk op de vorstencorrespondenties als onderlegger van een biografie, waardoor bepaalde aspecten uit Leopolds leven onderbelicht bleven – Deneckere vermeldt zelf onder meer zijn relatie met het leger en de diplomatie, zijn sociale politiek en koloniale projecten – liggen voor de hand. De niet- of nauwelijks geïnformeerde lezer had een duidelijker historisch raamwerk best kunnen gebruiken om de reflecties van Leopold in verband te brengen met de feitelijke gebeurtenissen in die tussentijd tussen ancien régime en het moderne Europa van 1870. Een ander bezwaar is dat de figuur van Leopold wel eens op de achtergrond geraakt door al te uitvoerige en gedetailleerde verslagen van de situatie in andere landen, vooral dan in Engeland, wat de lezer die speciaal in de Belgische koning Leopold I geïnteresseerd is, zou kunnen doen doorbladeren. Ook een conclusie waarin wordt vastgesteld of en hoe de in de biografie geëtaleerde bronnen het tot nu toe bestaande beeld van Leopold hebben veranderd wordt node gemist.

Anderzijds is het onbetwistbaar dat deze op minutieus wetenschappelijk onderzoek gebaseerde biografie bijzonder grote waardering verdient, omdat hier een pakkend en breed historisch verhaal wordt gepresenteerd dat iedere lezer, zelfs als hij de ontwikkelingen in de negentiende eeuw slechts oppervlakkig kent, met plezier zal lezen, precies omdat het zo menselijk vervlochten is met correspondenties en geschreven is in een stijl en taal die heel toegankelijk is. Leopolds biografie is geen saaie geschiedenis; zij legt het zielenleven, de dagelijkse zorgen en de politieke ambities bloot van een belangrijke speler op het Europese toneel, die terzelfder tijd als regisseur wou optreden.

Voegen wij er ten slotte nog aan toe dat het werk mooi is uitgegeven. Het bevat een kleurenkatern met relevante afbeeldingen en handzame kaarten. En wie in deze vuistdikke studie de weg wel eens kwijt raakt – wie hoort nu weer bij wie en wie was de zoon, zus, tante, of aangetrouwde neef ook al weer precies – kan met een clip op de overzichtelijke genealogie achteraan in het boek makkelijk de weg terugvinden. De jurylezers hebben Deneckeres biografie van Leopold I alvast hooglijk gewaardeerd en vonden het meer dan een bekroning waard.

 

Berry Dongelmans

Rik van Gorp (voorzitter)

Henk Nellen

Zie voor een video over de laureaat:

 
Video